#DE #HERMEUTISCHE #HORIZON #VAN #HOOGLERAAR #KONRAD #SCHMID, #EEN #REFLECTIE #OP #DE HEBREEUWSE #BIJBEL
Door: #RABBIJN #SIMON #BORNSTEIN®
Prof.
Dr. Konrad Schmid, verbonden aan de Universiteit van Zürich, is een
vooraanstaand autoriteit op het gebied van de Hebreeuwse Bijbel en de
vroeg-joodse religiegeschiedenis.
Zijn omvangrijke oeuvre, waaronder werken als A Historical Theology of the Hebrew Bible en The Making of the Bible, biedt een kritisch kader voor het begrijpen van de vorming van heilige geschriften.
Een intrigerende vraag die in zijn onderzoek naar voren komt, is of er in de Hebreeuwse Bijbel sprake is van een 'joods-arabische oecumene'.
Hoewel de term 'oecumene' in strikte zin verwijst naar de christelijke eenheidsbeweging, gebruikt Schmid deze in een bredere, historisch-theologische context om de interactie tussen verschillende tradities en culturele sferen te duiden.
Schmid benadrukt dat de Hebreeuwse Bijbel geen geïsoleerd product is, maar voortkomt uit een intensief proces van inner-bijbelse exegese en culturele uitwisseling binnen het oude Nabije Oosten.
Wanneer we kijken naar de relatie tussen de Hebreeuwse traditie en de bredere semitische wereld, wijst Schmid op de politisering van godsvoorstellingen. De transformatie van de godheid tot een wetgever—een concept dat in de Tauroh centraal staat—is een innovatie die zich afzet tegen, maar ook reageert op, de bredere oriëntaalse rechtsgeschiedenis.
De vraag naar een 'joods-arabische oecumene' binnen de Hebreeuwse Bijbel raakt aan de kern van Schmids onderzoek naar de vorming van de Pentateuch.
Hij stelt dat de Bijbelse teksten in een voortdurende dialoog staan met hun omgeving. In zijn analyse van de 'dubbele oorsprong' van Israël—de verhalen over de aartsvaders en de Exodus—laat hij zien hoe verschillende tradities werden samengevoegd tot een samenhangend geheel.
Deze redactionele processen weerspiegelen een intellectuele openheid die, hoewel niet oecumenisch in de moderne zin, wel degelijk wijst op een gedeelde semitische intellectuele ruimte waarin juridische en theologische concepten werden uitgewisseld en geherinterpreteerd.
Schmid betoogt dat de divinisering van de Tauroh niet leidde tot een statisch dogma, maar juist een vruchtbaar proces van interpretatie initieerde.
Dit proces stelde de teksten in staat om te overleven in verschillende culturele contexten. De 'oecumenische' potentie ligt hier in de wijze waarop de Bijbel zichzelf openstelt voor voortdurende herlezing.
Door de Hebreeuwse Bijbel te zien als een literair en theologisch project dat voortdurend in beweging is, daagt Schmid ons uit om de grenzen tussen 'joods' en 'arabisch' (of breder: semitisch) in de oudheid niet als rigide muren te zien, maar als poreuze membranen waarbinnen een gedeelde religieuze grammatica kon ontstaan.
