zondag 29 maart 2020

Rabbijn in ambtskostuum: Toga, Baret en Bef

Door: #Rabbijn #Simon #Bornstein®


Inleiding
Van oudsher dragen in Nederland opgeleide rabbijnen ambtskleding. Een frak, een toga, een militair uniform of een regulier kostuum. Reeds sedert de zestiende eeuw voerden de bestuurders van de Portugees Israëlitische Gemeenten te Amsterdam discussies over de kledingstijl van hun geestelijke leiders.

Opperrabbijn Tal in Toga, Bef, ambtskostuum

Een belangrijke basisprincipe binnen het Jodendom is dat iedere Jood in theorie gelijk is aan de ander. Evenals alle menselijke schepselen. Echter reeds sedert de klassieke Oudheid droegen de Cauheiniem in het Beis Mikdosj kostuums die louter aan hen voorbehouden waren en welke volgens speciale hallochische kledingvoorschriften voor hen werden vervaardigd. Leivie’iem daarentegen droegen nooit ambtskledij. Daarnaast geldt voor iedere Jood dat hij voor Sjabbes Kaudeisj en Jontef propere, bij voorkeur fraaie, niet dagelijkse kleding behoort te dragen om de waardigheid van dergelijke dagen te benadrukken.

Gedurende de negentiende eeuw werden rabbijnen, godsdienstonderwijzers en andere bedienaren van de Joodse godsdienst tot ambtenaren die direct of indirect in dienst werden gesteld van het Ministerie van Eerediensten. Waaruit kledingvoorschriften voor deze doelroepen voort vloeiden. Dankzij de bemoeienis van Koning Willem 1 was er lange tijd vrijwel geen onderscheid in de kledingvoorschriften voor de Nederlandse dominee en de rabbijn in Nederland.

De algemeen maatschappelijke opinie vereiste dat bedienaren van de godsdienst zich hulden in ambtskleding, niet in wereldlijke kleding. De geestelijke kledij mocht naar de maatstaven van die dagen niet te licht of vrolijk gekleurd zijn. Men had een voorkeur voor ingetogen, sobere zwarte kleding. De kledingstijl van de Joodse geestelijken was nauwelijks aan modegrillen onderhevig.

Opmerkelijk is het te mogen constateren, dat het periodiek van Achawa: Bond van Israëlitische Godsdienstonderwijzers in Nederland in geen enkel artikel ingaat op de invoering van de toga met bef en baret voor de Joodse geestelijkheid, waar dat Bondsblad op vrijwel alle andere voor haar professionals relevante themata en arbeidsvoorwaarden ingaat.

Hieronder volgt een bescheiden inventarisatie van tien verschillende kehillaus en hun argumenten rond de invoering van de toga voor Joodse geestelijken. Tot slot gaat de auteur kort in op de ambtskleding voor godsdienstleraressen, waarna een korte samenvatting.

Rotterdam
De sjammes (koster) van het Mannen Begraafgenootschap te Rotterdam worden, indien hij dit niet zelf bekostigen kan, ambtskledingstukken ter beschikking gesteld door het chewre, de begrafenisvereniging. Hij draagt een zwarte lakense jas, een dito korte broek, en een driekanten hoed, zwarte kousen en lage schoenen. De hem uitgereikte kledingstukken krijgt hij in eigendom.[1] 

De sjammes is wel verplicht deze kleding bij begrafenissen en overige ambtshandelingen te dragen. De hier beschreven ambtskleding is in de eerste helft van de negentiende eeuw algemeen gebruikelijk voor Joodse geestelijken.

Den Haag
In Den Haag vonden de toga, bef en baret schoorvoetend als innovatie van het decorum ter synagoge ingang. ‘De nieuwe eerste voorlezer, A. Simon, heeft een prachtige toga, baret en steek ontvangen van een commissie en deze inmiddels in gebruik genomen. De baret ten gebruike bij huwelijksinzegeningen, omdat men nog niet kan besluiten, om ook de baret voor den dienst in de synagoge dienstbaar te stellen. Zaturdag jl. heeft de heer S. van zijn costuum voor ’t eerst gebruik gemaakt.’[2]

In ’s-Gravenhage is het de beide voorzangers vanaf Sjewoenges (Wekenfeest), conform besluit van het kerkbestuur van 9 mei 1877 toegestaan om een toga met een bef en baret te dragen tijdens hun ambtsuitoefening ter synagoge.[3] Een dergelijk besluit had nieuwswaarde en werd in de Joodse pers bekend gemaakt. Daarmee bijdragende aan de serieuze status van het kerkelijk ambt van de chazzen (voorzanger).

Middelburg
In de synagoge van Middelburg werd Sjabbas Hagodel in 1898 een heugelijke dag. Nadat de schilders het kerkgebouw nog een hoog nodige metamorfose lieten ondergaan, kwam men voor de eredienst bijeen in de consistoriekamer. Op de sjabbes voor Pesach kon men de synagoge weer voor de gebedsdiensten in gebruik nemen. Bij die feestelijke dag schonk de godsdienstige vereniging Bigdei Kaudeisj de synagoge een keurig nieuw kokostapijt en ‘den leraar een toga en baret.’

Deze ambtelijke kledingsstukken werden de kehille aangeboden gedurende een vergadering waarbij de dames van Biegdei Kaudeisj, godsdienstleraar en het kerkbestuur van de Middelburgse sjoel aanwezig waren.

De eerwaarde heer H.M.  van Beem, leraar van de Joodse gemeente van Middelburg was dusdanig onder de indruk van het gerenoveerde gebedshuis dat hij het Ma Tovoe Elaukiem aanhief bij het binnentreden daarvan. In zijn toespraak naar aanleiding van Jesajah 40 vers 3 “Er roept een stem: baant in de woestijn den weg den Eeuwigen, effent in de wildernis het pad naar onzen God.” … dankte hij het gewre Biegdei Kaudeisj voor het kostbare geschenk en ‘drukte hij den wensch uit, dat haar godsdienstzin haar nog dikwijls moge aansporen tot opluistering van Gods bedehuis werkzaam te zijn, opdat dit worde een sieraad onzer gemeente in het bijzonder en van de stad onzer inwoning in het algemeen.’

De hier bedoelde toga werd met hoogste waarschijnlijk door de dames van Bigdei Kaudeisj samen in eigen beheer vervaardigd. Op deze wijze leidt de vervaardiging van een toga tot verfraaiing van het decorum en vergroting van de gemeenschapszin in Middelburg.

Deze deugden bracht een naar Crefeld geëmigreerde Middelburgse Jehoedie ook nog op een andere wijze tot uitdrukking: na de inhuldiging van Koningin Wilhelmina in 1898 richtte J.P.J. de Groot de “Hollandsche Vereeniging Koningin Wilhelmina” in zijn nieuwe woonplaats op.

Van de oprichting en huldiging werd de vorstin per telegram geïnformeerd, waarop een dankwoord van het vereerde staatshoofd de vereniging eveneens per draad bereikte.[4] De toga brengt hier een innige liefdesrelatie met het vaderland aan de dag.

Voor een uitgebreide beschrijving omtrent het Joodse leven in Zeeland schreef Klaas Smelik een goed gedocumenteerd werk: Middelburg en de Mediene. Joods leven in Zeeland door de eeuwen heen. (Antwerpen/ Apeldoorn 2017).


Meppel
Het bestuur van de vereniging Gemiloet Chassadiem in Meppel besloot in 1900, dat haar voorgangers voortaan de diensten moesten leiden in ambtskleding. ‘De kerkenraad heeft besloten dat de heren חזנים voortaan in ambtsgewaad – toga en bef – hun dienst zullen verrichten.[5]

Hilversum
Bij gelegenheid van de viering van de inwijding van de gerestaureerde sjoel van Hilversum en de inwijding van een nieuw Seifer Tauroh ‘betrad even voor drie uur de eerwaarde heer M. Monasch, conrector aan het Nederlands Israëlitisch Seminarium, gekleed in toga en baret (hem door Gouda’s ingezetenen vereerd ter gelegenheid van zijn Maureinoe-examen) den kansel tot het houden van een rede.’[6]



Toga, bef en baret gelden als de ambtskleding van rechters, hoogleraren en juristen. Bij het Portugees Israëlitisch Kerkgenootschap en het Nederlands Israëlitisch kerkgenootschap bestaan drie rangen in de Godgeleerdheid: Darsjen, Mogied en Moureine. De rang van Moureine is de equivalent van het kerkelijk doctoraat. De Maureine kan als opperrabbijn worden beroepen.

Een Maurei is per definitie een kerkelijk hoogleraar, een kerkelijk rechter en een predikant, hij verenigt deze drievoudigheid in zijn ambt. Het behalen van een kerkelijk doctoraat was en is ook heden een bijzondere gelegenheid. De toga, bef en baret brengen deze godsdienstige en maatschappelijke status van de Joodse godgeleerde in bescheidenheid tot uitdrukking.

Elburg
In Elburg werd het vijftig jarig bestaan van het Joodse bedehuis in 1905 uitgebreid gevierd in aanwezigheid van de ‘weledel zeer geleerde heer’ opperrabbijn van Gelderland: Lion Onderwijzer. Na het zingen van Psalm 100: “Jubelt voor den Eeuwige, geheel den aarde!” volgde ‘een plechtig oogenblik. Het voorhangsel wordt voor de Arke weggenomen en voor deze geopende Arke werd door den eerwaarde opperrabbijn het gebed voor het Koninklijk Huis gereciteerd, wat door alle aanwezigen staande werd aangehoord. Jubelend klonk het “Halleluja, Prijst God in Zijn Heiligdom” enz. Psalm 150. De heer I. Davidson, voor den eersten maal bij dezen dienst bekleed met toga en baret, hem als blijk van waardeering door de gemeente geschonken …sprak hierop een slotwoord.’

Voorzanger Jacob Elburg (links) in Tiel

De toespraak van de opperrabbijn werd gehouden naar aanleiding van Exodus 14:14. Bij deze viering ontving de Joodse gemeente van de vrouwenvereniging Biegdei Kaudeisj een nieuwe voorhang en vierkleedjes vervaardigd van gloedvol rood pluche bewerkt met zijde en goud.

In aanwezigheid van de beide hoofden van de openbare scholen, burgemeester en wethouders, nagenoeg alle raadsleden en de gereformeerde predikant van Elburg, hield Lion Onderwijzer een gloedvolle feestrede ‘Met diepgevoelden dank werd getuigd van de zeegeningen die het klassieke volk van Israël op Nederlandschen bodem mag ondervinden, waar het schier overal elders aan de wreedschte vervolgingen en verguizingen is blootgesteld. Fier vrij en frank, vroed geniet dat volk in Nederland een mate van godsdienstige en burgerlijke vrijheid als nergens ter wereld. Onder de Regeering van Nederlandsch Koningin “Wie God zegene” is de vrije uitoefening van den godsdienst der Vaderen gewaarborgd; getuige het heden waar in dezen plechtige stond het Burgerlijk Bestuur, van Elburg aanwezig is met een predikant eener andere godsdienstige gemeente en zoovelen die een andere geloofsovertuiging hebben. Hij dankt allen voor het zeer gewaardeerde blijk van belangstelling.[7]

In Elburg bracht de invoering van de toga en baret als ambtskleding van de voorzanger op feestelijke wijze de intense, goede band met de landelijke en plaatselijke autoriteiten tot uitdrukking. De innoverende introductie van deze ambtskleding toonde hoezeer de Elburgse Joden ingeburgerd, verweven waren en zich als vrije burgers, op gelijkwaardige wijze aanpasten aan de kledingvoorschriften die bij andere sommige kerkgenootschappen hier ten lande bestonden.

De Elburgse godsdienstleraar en voorzanger kon zich in toga met baret als een volwaardige gelijke meten met de geestelijkheid van andere kerkgenootschappen. De toga functioneert daarmee duidelijk als een bruggend element.

Gouda
In Gouda genoot de toga een bijzondere belangstelling. Waar eerder M. Monasch met een dergelijk geschenk werd vereerd, werd zeven jaren later J. Metselaar als godsdienstleraar en chazzen van de kehille aangesteld. Bij die gelegenheid ontving Metselaar van de vereniging Biegdei Kaudeisj een toga en baret ten gebruike van de voorzanger uit handen van mevrouw Leefsma-Mossel na een fraaie toespraak namens haar vereniging. 

Sjoel van Rabbijn Monasch in Gouda

‘Ten slotte wendde de eerwaarde heer J. Metselaar zich tot de aanwezigen, dankte allen voor de hem bewezen hulde en hoopte het vertrouwen in hem gesteld waardig te zullen zijn. Spreeker smeekte Gode’s zegen voor deze gemeente af en verzocht de verschillende besturen, hem zoo noodig met raad en daad te willen bijstaan, opdat hij zich van zijn gewichtige taak naar behooren zou kunnen kwijten.’[8]

Gorredijk
Bij het honderdjarig bestaan van de synagoge in Gorredijk werden de synagoge allerhande voorwerpen door gemeenteleden geschonken die ieder op zich een bijdrage leverden aan het decorum van het gebedshuis. ‘De voorzitter deelde mede, dat de waar vereenigingen en particulieren  aan de gemeente geschenken vereerden, de kerkenraad meende niet achter te  mogen blijven. Hij bood alsnu aan den voorzanger een toga aan met den wensch dat zijne gebeden mogen verhoord worden. … De voorzanger nam deze toga aan, dankte. .. ‘[9] Een chazzen in toga, met bef en baret vormt een status verhogende innovatie in het decorum van de Joodse eredienst. Zulks alles ter meerdere glorie van de ngavaudas hekaudeisj, de Barmhartige en versteviging van de plezierige godsdienstige beleving van de gelovigen.

Pekela
De Damesvereniging Biegdei kaudeisj te Pekela heeft bij gelegenheid van de Joodse feestdagen ‘een prachtige toga ten geschenke gegeven, te gebruike van den voorzanger bij het verrichten van den dienst ter synagoge. In eene predikatie ter gelegenheid van het Sjewoeous-feest, heeft onze voorzanger, bestuur en leden der vereeniging voor dit geschenk hulde gebracht, mede uit naam van het kerkbestuur der gemeente. Ons kerkgebouw was deze keer in vergelijk met andere jaren, zeer mooi versierd met bloemen, zodat de dienst dit jaar en door voordracht der gebeden en door de versiering, waarlijk plechtig was.’[10]
In Pekela drukt de toga van de chazzen een verfraaiing van het decorum van de synagogale eredienst uit, die daardoor
plechtiger geacht werd te zijn.

Sneek
Viering van het vijfentwintig jarig jubileum van de heer C. Heijmans van de ambtsvervulling als voorzanger, rabbijn en slachter in Sneek in 1909. De laatste tien jaar van zijn loopbaan oefende hij deze functies uit in Sneek. De heren S. Velleman en A.M. Kuijt waren verantwoordelijk voor de inzameling van de benodigde gelden om de geschenken aan te kunnen schaffen.

De synagoge in 1911
Synagoge in Sneek

Bij gelegenheid van deze viering werd Heijmans door zijn leerlingen en oud-leerlingen in het schoollokaal van de Joodse Gemeente Sneek een wandelstok met een bewerkte zilveren handgreep met inscriptie aangeboden. 

Daarnaast werd Heijmans door mejuffrouw J. Sanders een toga geschonken, na een korte toespraak overhandigd aan de jubilaris. Vrijwel alle leden van de kehille waren aanwezig voor een speciale feestelijke eredienst in de synagoge. Dit bedehuis was voor deze gelegenheid speciaal in Jonteftooi was gebracht hield Meijer Kuyt, voorzitter van de kehille een gelegenheidsrede, waarna een receptie volgde ten huize van de jubilaris.[11] 

In deze casus geldt de toga als geschenk ter bevestiging van de goede sociale verhoudingen tussen een jubilaris en diens gemeente.

Krijgsmachtsrabbinaat
Een bij de krijgsmacht aangestelde rabbijn draagt eveneens ambtskleding. In zulk een geval een militair uniform van een van de krijgsmachtsonderdelen, maar daarop aangebracht onderscheidende insignes in die het krijgsmachtsrabbinaat onderscheiden van bijvoorbeeld aalmoezeniers, de protestants-christelijke collegae. Wanneer de krijgsmachtsrabbijn zijn functie combineert met een civiele ambtsuitoefening, dan draagt deze slechts voor het civiele ambt ambtskleding; toga en bef.

De eerste krijgsmachtsrabbijnen waren lid en actief binnen de Bond van Israëlitische Militairen “Getrouw aan ons Vorstenhuis en Vaderland”. Toen deze Bond de geboorte van kroonprinses Juliana in 1909 geestdriftig vierde, ontving de organisatie tijdens de viering prompt een telegram van Koningin Wilhelmina. ‘Onder luid applaus las de secretaris, de heer M.A. Groenewoudt, den inhoud voor, van een ingekomen telegram van het Koninklijk Huis.’[12]

Godsdienstdocentes
Binnen het Nederlands Israëlitisch Kerkgenootschap en het Portugees Israëlitisch Kerkgenootschap is geen enkele ruimte voor vrouwelijke ambtsdienaren.

Wel kunnen dames worden opgeleid tot Godsdienstonderwijzeres of Godsdienstlerares A of B (het diploma Laagste Rang, Middelste Rang en Hoogste Rang) waaraan ook een door de overheid erkend civiel effect verbonden is.

Deze vrouwen kunnen uitsluitend diensten leiden waarbij dames aanwezig zijn. Mannen kunnen op grond van de godsdienstige traditie niet aanwezig zijn bij diensten die door dames worden geleid.
Naast taken in het Joodse onderwijs kunnen godsdienstleraressen tegenwoordig actief zijn in het bestuur van een Nederlands Israëlitische Gemeente of in het pastoraal-sociale werk.

Buiten de godsdienstige voorschriften omtrent zedige kleding voor de Joodse vrouw, kennen de genoemde kerkgenootschappen geen voorgeschreven ambtskleding voor dames. Daarvoor zijn nooit kerkelijke verordeningen opgesteld. Godsdienstleraressen zijn daarom volkomen vrij in het kiezen van hun eigen (zedelijke of nette) kleding.

Samenvatting
Resumerend kan worden gesteld, dat de invoering van de toga met bef en baret binnen het Nederlandse Jodendom schoorvoetend ingang vond. Joodse organisaties en de bedienaren zelf hielden vast aan de sedert de zeventiende eeuw gevestigde kleding wijze; een driekanten steek, een zwarte pofbroek, lage lederen schoenen met zilveren gespen een een zwarte fraq. Nog heden gaat de opperrabbijn van de Portugese gemeente in Amsterdam daarin gekleed.

De invoering van de toga in Den Haag voor de oppervoorzanger en diens ramplancant verliep in fasen. Eerst werd de toga ingevoerd tijdens huwelijksceremonies, maar later voor alle erediensten. Enige maanden later werden daar bef en baret aan toegevoegd. Hierdoor werden de gelovigen geacht het ambt van de chazzen meer serieus te nemen. Een nieuwe toga werd vaak aan bedienaar geschonken door een damesvereniging die de synagogale textilia vervaardigde en onderhield; een vereniging Bigdei Kaudesj.

Een dergelijke vereniging droeg fors bij aan de sociale samenhang tussen gemeenteleden. Een toga werd doorgaans gepresenteerd voorafgaand aan een joodse feestdag of een andere feestelijke gelegenheid, zoals na de jaarlijkse pesachschoonmaak in de lokale synagoge, de herinwijding van een gebedshuis na onderhoud en restauratie.

Er is slechts één geval geregistreerd door de Joodse pers, waarin een alumnus van het rabbijnenseminarium een toga aangeboden kreeg ter gelegenheid van een rabbinale titel. Het behalen van een kerkelijk doctoraat was en is ook heden een bijzondere gelegenheid. De toga, bef en baret brengen deze godsdienstige en maatschappelijke status van de Joodse godgeleerde in bescheidenheid tot uitdrukking.

De vervaardiging van een toga heeft dient als verfraaiing van het decorum en vergroting van de gemeenschapszin. Het kledingstuk is bovendien een manifestatie van vaderlandsliefde.

De Joodse geestelijke kon zich in toga met baret als een volwaardige gelijke meten met de geestelijkheid van andere kerkgenootschappen. De toga functioneert daarmee duidelijk als een verbindend element.

In Pekela drukt de toga van de chazzen een verfraaiing van het decorum van de synagogale eredienst uit, die daardoor plechtiger geacht werd te zijn.

Toga, bef en baret dienen de civiele ambtsuitoefening, dan draagt de rabbijn slechts voor het civiele ambt ambtskleding; toga en bef. Krijgsmachtrabbijnen dragen geen toga, maar in plaats daarvan een uniform met herkenbare insignes van de militaire geestelijk verzorging. Godsdienstleraressen kunnen hun ‘zedige’ kledij vrij kiezen.


[1] Reglement van het Israëlitisch Mannen-Begraafgenootschap onder de zinspreuk Gemilath Gasadiem te Rotterdam (Gewijzigd in de redactie en aangevuld sedert 1855 goedgekeurde veranderingen.) (Rotterdam 1880), 14-15, 25
[2] ‘’s-Hage’, in: Nieuw Israëlitisch Weekblad (Amsterdam vrijdag 16 februari 1877), 2
[3] ‘’s-Hage’, in: Nieuw Israëlitisch Weekblad. (Amsterdam vrijdag 11 mei 1877), 1
[4] ‘Middelburg’, in Nieuw Israëlitisch Weekblad (Amsterdam vrijdag 1898), 2-3
[5] ‘Meppel’, in: Nieuw Israëlitisch Weekblad  (Amsterdam vrijdag 19 october 1900) Tweede Blad, 1
[6] ‘Hilversum’s Israël’, in: Nieuw Israëlitisch Weekblad (Amsterdam vrijdag 21 september 1900), Tweede Blad, 2
[7] ‘Elburg’, in: Nieuw Israëlitisch Weekblad (Amsterdam vrijdag  03 februari 1905), 2-3
[8] ‘Gouda’, in: Nieuw Israëlitisch Weekblad (Amsterdam vrijdag 23 augustus 1907), 5-6
[9] ‘Gorredijk’, in: Nieuw Israëlitisch Weekblad. (Amsterdam vrijdag  29 maart 1907) , 2
[10] ‘Pekela’, in: Nieuw Israëlitisch Weekblad. (Amsterdam vrijdag  12 juni 1908), 3
[11] ‘Sneek’, in: Nieuw Israëlitisch Weekblad. (Amsterdam vrijdag  1909), Tweede Blad, 1
[12] ‘Getrouw aan ons Vorstenhuis en Vaderland’, in: Nieuw Israëlitisch Weekblad. (Amsterdam vrijdag  1909), Tweede Blad, 5





-------------------
#Tags:
#Gouda, #Sneek, #Gorredijk, #Meppel, #Middelburg, #Rotterdam, #Amsterdam, #Lburg, #Gouda, #Pekela, #Rabbijn, #Godsdienstonderwijzer, #Chazzen, #Voorzanger, #Ambtskostuum, #Ambtskledij, #Fraq, #Toga, #Bef, #Baret, #Decorum, #Emancipatie, #Joden, #JoodseGemeente, #synagoge

woensdag 25 maart 2020

Corona-pandemie raakt Joodse gemeenschap: Rabbijn Shmuel Katz in het ziekenhuis.

Door: #Rabbijn #Simon #Bornstein®

De Corona-pandemie raakt de activiteiten van Joodse gemeenschappen ver en ook zeer nabij. Afgelopen week werd bekend dat collega Rabbijn Shmuel Katz in een ziekenhuis werd opgenomen nadat hij het Corona-virus had opgelopen. Ook zijn zoon ligt in het hospitaal. Tot in zijn geboorteplaats Veenendaal wordt aan hem gedacht, want zijn ziektebed werd daar breed uitgemeten in de Rijnpost, de lokale pers. Vanaf deze plaats wensen wij beiden van ganser harte beterschap, Moge de Eeuwige beiden Zijn barmhartigheid deelgenoot maken!

zaterdag 21 maart 2020

#Syrische #arts wil worden ingezet: #Rabbijn #helpt bij vinden #ziekenhuis

Door: #Rabbijn #Simon #Bornstein®

CORONA-crisis. De uitzonderlijke situatie rond de Corona-pandemie brengt soms de beste eigenschappen in mensen naar boven. Talloze sociale initiatieven ontstaan om ouderen en kwetsbaren in onze samenleving te ondersteunen. 



Dergelijke initiatieven verdienen erkenning, waardering en onze ondersteuning waar mogelijk. De Nederlandse samenleving zou wel eens krachtiger en socialer uit de huidige maatschappelijke of medische situatie kunnen komen, met een nog mooier sociaal weefsel.

Zo is er een uit Syrië gevluchte arts die in een nationaal dagblad zijn diensten aanbiedt, hij wil worden ingezet in een Nederlands ziekenhuis. Dat is dapper en lovenswaardig, gelet op de moeilijk beheersbare status van de huidige pandemie.


#Rabbijn #Simon #Bornstein® helpt genoemde arts om een passende plaats te vinden in een Nederlands ziekenhuis waar hij bij voorkeur op zijn niveau ingezet kan worden met zijn schat aan ervaring opgedaan in ziekenhuizen in zijn geboorteland in een oorlogssituatie. Gewend zijnde om onder extreme omstandigheden, veel te betekenen voor zijn collegae en patiënten terwijl weinig middelen hem daarbij tot de beschikking stonden.

Inmiddels heeft Rabbinaat Alkmaar een tiental ziekenhuizen aangeschreven met het verzoek om de Syrische arts een waardevolle werkplek aan te bieden. Het wachten is nu op antwoord.

Deze Syrische arts verdient onze warme ondersteuning en een passende werkplek. Hulde. 

------------------------------------------

#Tags:

#Corona #Vluchteling #Arts #Syrië #werkplek #hulpbetoon #ziekenhuis #medisch #InternationaleDagtegenRacisme #Novruz

zaterdag 7 maart 2020

#Rabbijn Jehoede Leib over #POERIEM; de kracht van #integriteit


Door: #Rabbijn #Simon #Bornstein®

Ter voorbereiding op de viering van het #Poeriemfeest op de avond van negen en de gehele dag op de tiende maart bestuderen we het derde hoofdstuk van het Seifer Aur HeChodeisj (Praag 1600) van Rabbijn Jehoede Leib Löw (circa 1526-1609). Een oom van deze beroemde geleerde was Rabbijn Jangakauv Ben Chojiem, die functioneerde als Reichsrabbiner, een zeer prominente functionaris benoemd en erkend door het Heilige Römische Reich Deutscher Nation.



Wanneer we het bovengenoemde werk opslaan, dan verdiepen we ons in de derde Perrek (hoofdstuk) van de Megille (Tenach: Boekenrol van Esther). Hier weigert Mordechaj te buigen voor de Perzische onderkoning Homan.

Een reeks functionarissen uit de hofhouding van de Perzische vorst confronteren Mordechaj en zij wijzen hem op de wettelijke plicht om te buigen. “Om welke reden buigt u zich niet voor de onderkoning Homan, terwijl een ieder ander dit wel doet?” De Megille meldt: dat de dienaren des konings de toenmalige Perzische overheid meldden dat hij niet buigt voor de onderkoning, omdat hij een trotse Jood was.

De Medrasch in Esther Rabbe vult deze dialoog in:

1) De Kinderen van Rachel werden in een andere generatie op de zelfde wijze getest en uitgedaagd. Zij werden ook tot leiders van Israël en redders van hun volk. Zij werden op prominente plaatsen in de maatschappij benoemd.

2) Hetzelfde ook met Joseif die in zijn generatie niet boog voor de vrouw van zijn eigenaar Potifar, toen hij weigerde om een zonde te begaan door eventueel met haar te slapen.

Evenals in de casus met Homan in de Megilles Esther wordt Mordechaj in het Poeriem verhaal benoemd tot onderkoning van Perzië door Achasjwerausj, Mellech Parasj. Als teken van deze benoeming ontving hij een zegelring horende tot zijn waardigheid als nieuwe onderkoning. Ook Joseif ontving een zegelring van de Farao toen hij onderkoning van Egypte werd.

Toen Mordechaj werd benoemd als onderkoning van Perzië, werd hij gekleed in de vorstelijke kleding horende bij de prominente functie, hij reed op een paard door de hoofdstad en voor hem uit liepen functionarissen die luid uitriepen dat hij benoemd was als onderkoning, om het publiek langs de route te informeren.

Zo ook gebeurde het met Joseif bij diens benoeming als onderkoning van Egypte, daar liepen voor zijn tournee door de hoofdstad koninklijke boodschappers voor de processie uit die riepen “Ziet hier de Owreich!”

De Jehoede is het verboden om een persoon te aanbidden wie zich zelf een godheid noemt. Ook wanneer dit in een omgeving gebeurt, zoals de hofhouding van een regerend vorst, is dit verboden. Het is godsdienstige wetgeving verboden te buigen voor een mens.

Mordechaj antwoordde dat hij niet slechts een Jehoede was, maar dat hij afstamde van de Stam Benjomien, Benjomien die was geboren in Eretz Jiesro’eil. “Onie Iesj Jemienie!”: Ik ben een man van de stam Benjomien.

Daarmee stelde Mordechaj duidelijk af te stammen van die ene zoon van Jangakauv: Benjomien. De Sjeiwes Benjomien (stam Benjomien) heeft nimmer voor een mens gebogen.

Dit werd ook medegedeeld aan de onderkoning Homan van Perzië. Hierop antwoordde Homan ga terug naar Mordechaj, zijn grootvader boog voor mijn grootvader. Homan was volgens deze Medrasch een afstammeling van Amolek en van Eisov, voor wie volgens Mordechaj, Jangakauv heeft moeten buigen.

Hiermee claimde  Homan een historisch precedent te hebben om gezag over de dynastie van Mordechaj uit te kunnen oefenen. Mordechaj ontkende hierop dat Jangakauv of Benjomien ooit gebogen hebben voor welk mens of voor welke gezaghebber dan ook. ‘Ik, Mordechaj, stam af van deze Benjomien!’

Joseif zal niet wijken van zijn standpunt, hij zal nimmer buigen. Zo ook met Mordechaj. Deze personen zijn als een plaats waar de Sjechieno rust, de Goddelijke Aanwezigheid. Zoals ook de Beis HeMiekdosj een plaats had in het territorium van Sjeiwes Benjominie, zo ook rust Gods Kedoesje op Joseif en Mordechaj.

De heiligheid Gods en personen als Joseif of Mordechaj zijn onscheidbaar, zij kunnen niet bewogen worden tot het afwijken van de Joodse ethiek.

Zo weigert Joseif de immorele daad te plegen door de bijslaap van de echtgenote van zijn eigenaar-werkgever te worden, hij verwijdert zich van deze uitdaging. Zijn moraliteit is beproefd, zijn integriteit rotsvast. Zo ook Mordechaj.

Hieruit kan worden geleerd wat de waarde is van persoonlijke integriteit. 

De waarde van het begaan van Gods wegen, vast te houden aan hun Schepper en zijn Tauro. Hun beloning was het een prominente maatschappelijke positie te verkrijgen; het vertrouwen te mogen genieten van de regerende staatshoofden in Perzië en Mietsrojiem.

Joseif, en ook Mordechaj, verkregen hun bevoegdheden van hem alleen die hen dezen kon opdragen; het staatshoofd. Dit is uitsluitend mogelijk door met de Mellech HaMlochiem, de Koning over koningen, te staan.

Hun Godsvertrouwen, hun moraliteit, hun complete persoonlijke integriteit werd beloond met het verkrijgen van het zegel, de ring van hun werkgever.  

Trouw aan de Schepper, Zijn Tauro en Traditie, een gezonde en positieve Joodse identiteit verdienen (maatschappelijk) respect.

Tot zover een belangrijke levensles, a Git Poeriem!


----------------------------------------------

Tags:

#Poeriem #Integriteit #Moraliteit #Vasthoudendheid #ethiek #Torah #Traditie #Jodendom #feestdag #Esther ##godsvertrouwen #Perzië #Rabbijn #Reichsrabbiner #Lotenfeest

vrijdag 6 maart 2020

Rabbijn Simon Bornstein® op werkbezoek bij Rabbijn Stiefel

Afbeelding kan het volgende bevatten: 10 mensen, staande mensen

     Rabbinaat Alkmaar רבנות אלקמאאר


Rabbijn Simon Bornstein® op werkbezoek bij Rabbijn Stiefel in Almere.

Rabbijn Stiefel heeft in het afgelopen decennium een bloeiende orthodox-Joodse gemeenschap opgebouwd rond het door hem geïnitieerde Joodse gemeenschapscentrum waar wekelijks circa veertig personen de gebedsdiensten op Sjabbes bezoeken. 

De ontvangst was uitermate warm en collegiaal. Dankbaar.
-----------------------------------------------------------------------------------------------------

Tags: 
#Rabbijn #Simon #Bornstein® #werkbezoek #Almere
#Rabbijn #Stiefel

dinsdag 3 maart 2020

Molukse KNIL Veteranen bij Herdenking Februari Staking 1941

Door: Rabbijn Simon Bornstein®

Een forse delegatie van Molukse Veteranen van het Koninklijk Nederlandsch Indisch Leger was aanwezig bij de Herdenking van de Februari Staking 1941 in de Raadzaal van het Amsterdamse stadhuis op 25 februari 2020. Voorzitter Han Busker, voorzitter van de Federatie Nederlands Vakverbond (FNV) hield een krachtige toespraak waarin hij antisemitisme, discriminatie verwierp en een ode bracht aan de stakers van 1941.



Comité Herdenking Februaristaking telt opbrengst collecte

Collectebus Comité Herdenking Februaristaking

Toespraak Han Busker, voorzitter FNV



zondag 1 maart 2020

Rabbijn Simon Bornstein® ontmoet zanger Tim Douwsma

Rabbijn Simon Bornstein® had een bijzonder plezierige ontmoeting met de in heel Nederland wereldberoemde zanger Tim Douwsma. In de afgelopen jaren haalden de liedjes van de heer Douwsma regelmatig de top-100.

Rabbijn Simon Bornstein met Tim Douwsma, zanger

Zanger Douwsma is naast een verdienstelijk muzikant ook acteur, inmiddels bekend door zijn rollen in een reeks uiterst succesvolle musicals en theaterstukken, van radio, film en televisie. 

Douwsma woont samen met een voor hem lieve vriendin. Het stel kreeg afgelopen jaar een zoon.

De artiest Douwsma werd in 1987 in Drachten, Friesland, geboren. 

Na de middelbare school studeerde de kunstenaar aan het CIOS, de opleiding voor docenten in de Lichamelijke Opvoeding. Hij  verliet de opleiding om zich volledig op zijn artistieke loopbaan te kunnen concentreren.


Tim Douwsma participeerde in het Europees Songfestival, AVRO Junior Dance, Sterren Dansen op Ys, Karaoke Kids, CupCakeCup van de AVRO-TROS. 

Verder is hij tegenwoordig actief als verdienstelijk presentator op onder andere de zender RTL4.

In 2020 verloor Tim Douwsma zijn „leave beppe is niet meer. Zo’n ongelofelijke strijder ben je, maar het was op. Zo dankbaar voor alle mooie momenten met beppe”, schrijft hij bij een reeks foto’s van zijn grootmoeder.

„Je humor en je lach wanneer ik binnenstapte in huis, zal ik nooit vergeten. Rust zacht, want dat heb je verdiend. Ik zal je ontzettend missen.”


Dat Tim Douwsma een gevoelsmens is moge blijken uit het door hem geschreven boek dat hij publiceerde onder de titel 

Tim er tussen-in. 
Als je ouders gaan scheiden 
(Van Goor: 2019), ISBN 978 90 00 36142 7 

In dit boek beschrijft Tim als 31-jarige wat de scheiding van zijn ouders met zijn jonge leven deed. Hij hoopt andere kinderen van ouders die zijn gescheiden of op scheiden aan koersen te beschermen voor het leed dat hijzelf ervaren heeft. 


Het plezierig leesbaar boek is een egodocument en kan voor 15 Euro in de boekhandel worden besteld.

De zanger zal op een nader in te vullen wijze worden betrokken bij het Europees Songfestival dat in 2020 in Rotterdam plaats zal vinden, nadat het in het jaar 2019 werd georganiseerd in Tel Aviv.

Of Rabbijn Simon Bornstein een bewonderaar is van Tim Douwsma: "Ik kan enorm genieten van het Nederlandse Lied, de eerlijke muziek van Tim Douwsma brengt de hechte warmte van ons land vol tot uitdrukking! Heerlijk!"

-------------------------------------------------------------

#Tags #Zanger #kunst #muziek #entertainment #recreatie #Top100 #Radio #TV #Theater #Schrijver #auteur #boek #echtscheiding #egodocument #trauma #jeugd #Friesland #Musical #Presentator #zang #Songfestival #Rotterdam #TelAviv #optreden #TimDouwsma #radio #film #televisie #CIOS #RabbijnSimonBornstein #ontmoeting #AVRO #TROS #RTL4 #

Rabbijn in ambtskostuum: Toga, Baret en Bef

Door: #Rabbijn #Simon #Bornstein ® Inleiding Van oudsher dragen in Nederland opgeleide rabbijnen ambtskleding. Een frak, een toga, een...