#HET #ADI #MODEL #BESCHOUWD #VANUIT #HALOCHISCH #PERSPECTIEF: #LEREN,
#ONDERWIJZEN #EN #IEDER #KIND #TOT #BLOEI #LATEN #KOMEN
Een Joodse visie op goed onderwijs in het Joodse
lager onderwijs
Door: #Rabbijn #Simon #Bornstein
Goed onderwijs
is in het Jodendom veel meer dan het overdragen van kennis. Het is een heilige
opdracht. Wanneer een leerkracht voor de klas staat, draagt hij of zij niet
alleen verantwoordelijkheid voor de cognitieve ontwikkeling van de leerlingen,
maar ook voor hun persoonlijke, morele en spirituele groei.
Binnen het orthodox-Joodse
onderwijs staat ieder kind centraal als een unieke schepping van Hasjem. Elk
kind heeft zijn eigen mogelijkheden, talenten, leertempo en uitdagingen. De
opdracht van de leerkracht is om deze mogelijkheden te herkennen en te helpen
ontwikkelen.
Vanuit deze
gedachte is het interessant om het ADI-model (Activerende Directe Instructie)
te bekijken vanuit een halochisch perspectief. Op het eerste gezicht lijkt het
ADI-model vooral een didactisch organisatiemodel. Maar wanneer we dieper kijken
naar de uitgangspunten ervan, ontdekken we verschillende raakvlakken met Joodse
waarden en pedagogische principes uit de Tauroh.
Chinoech: ieder kind onderwijzen volgens zijn eigen mogelijkheden
Een van de
belangrijkste uitgangspunten van het Joodse onderwijs vinden we in Misjlei
(Spreuken 22:6):
Chanoch lanangar
ngal pie darkau – "Leer een kind volgens zijn eigen weg."
Deze uitspraak
vormt een belangrijke basis voor onze pedagogische benadering. Een kind is geen
leeg schrift waarop wij allemaal dezelfde informatie op dezelfde manier kunnen
schrijven. Elk kind heeft zijn eigen derech, zijn eigen weg.
Ook het
ADI-model gaat ervan uit dat leren beter verloopt wanneer nieuwe kennis
aansluit bij wat een leerling al weet. De leerkracht activeert de voorkennis en
bouwt daarop verder.
Vanuit Joods
perspectief is dit een waardevolle gedachte. De leerkracht probeert niet alleen
de leerstof over te brengen, maar zoekt aansluiting bij de wereld van het kind.
Dit sluit aan
bij het begrip chinoech. Chinoech betekent niet uitsluitend kennisoverdracht,
maar opvoeding, vorming en het begeleiden van een kind naar volwassenheid.
De halochische
verplichting van chinoch leert ons dat kinderen stapsgewijs worden voorbereid
op het naleven van mitswes, passend bij hun leeftijd en mogelijkheden.
De
pedagogische les hiervan is duidelijk: we mogen niet verwachten dat ieder kind
op hetzelfde moment hetzelfde niveau bereikt. Wel hebben we de
verantwoordelijkheid om ieder kind uit te dagen en te begeleiden op een manier
die bij hem of haar past.
Terugblik: leren vanuit de continuïteit van de Tauroh
De eerste fase
van het ADI-model is de terugblik. De leerkracht haalt samen met de leerlingen
de kennis uit eerdere lessen op.
Dit heeft een
bijzondere verbinding met de Joodse traditie.
In Deworiem
(Deuteronomium 6:7) lezen we:
Wesjienantam
lewonecho – "Je zult deze woorden je kinderen inscherpen."
Het Joodse
leren is geen verzameling losse momenten. Kennis wordt herhaald, verdiept en
doorgegeven. De Tauroh wordt niet slechts één keer bestudeerd, maar telkens
opnieuw.
Ook in de
Talmoed zien we hoe belangrijk herhaling is. Het herhalen van leerstof helpt
kennis te verankeren en maakt het mogelijk om steeds dieper inzicht te
ontwikkelen.
Wanneer een
leerkracht een les begint met vragen als:
- Wat hebben we de vorige keer geleerd?
- Wat weten we nog over dit onderwerp?
- Hoe kunnen we de kennis van gisteren
gebruiken bij de les van vandaag?
wordt de
leerling actief betrokken bij zijn eigen leerproces.
Dit is niet
alleen een didactische keuze. Het weerspiegelt ook een belangrijke waarde
binnen het Joodse leren: kennis moet worden onderhouden en verdiept.
Oriëntatie: leren met een doel en betekenis
In de tweede
fase maakt de leerkracht duidelijk wat de leerlingen gaan leren en waarom deze
kennis belangrijk is.
Ook dit sluit
aan bij de Joodse visie op onderwijs.
Binnen het
Jodendom is leren geen doel op zichzelf. Tora-studie heeft een bestemming:
inzicht ontwikkelen, verantwoordelijkheid leren dragen en het geleerde in
praktijk brengen.
De Misjne leert
ons in Pirkei Ngowaus 1:17:
Lau hamidresj
hoe hangieikar ello hamangaseih.
Niet de studie
is het belangrijkste, maar de praktische toepassing.
Dit betekent
niet dat theoretische kennis minder belangrijk is. Integendeel: kennis vormt de
basis voor bewust handelen. Maar kennis moet uiteindelijk betekenis krijgen in
het leven.
Een leerkracht
die het lesdoel helder maakt, helpt leerlingen begrijpen waarom zij iets leren.
Bijvoorbeeld
bij een les over rekenen kan de leerkracht uitleggen dat nauwkeurig rekenen belangrijk
is bij het eerlijk afwegen en verhandelen van producten. Bij een les over taal
kan worden besproken hoe belangrijk duidelijke communicatie is, ook wanneer we
met elkaar van mening verschillen.
Zo krijgt het
onderwijs een bredere betekenis.
Uitleg: de verantwoordelijkheid van de melamed
De derde fase
van het ADI-model is de instructie. De leerkracht legt de nieuwe leerstof uit,
geeft voorbeelden en maakt duidelijk hoe een leerling een opdracht kan
aanpakken.
Binnen de
Joodse traditie heeft de melamed – de onderwijzer – een bijzondere
verantwoordelijkheid.
In de Talmoed
(Bawo Basre 21a) wordt uitvoerig gesproken over het belang van goed
georganiseerd onderwijs en de verantwoordelijkheid voor het onderwijzen van
kinderen.
De Rambam
benadrukt in Hilchaus Talmud Tauroh het belang van goed onderwijs en de
verantwoordelijkheid van de leraar om zijn leerlingen daadwerkelijk kennis bij
te brengen.
Een leerkracht
moet daarom niet alleen weten wat hij wil onderwijzen, maar ook nadenken over
de manier waarop hij dat doet.
Het ADI-model
helpt hierbij door de instructie overzichtelijk op te bouwen:
- De leerstof wordt in kleine stappen
aangeboden.
- De leerkracht doet voor hoe een opdracht
moet worden uitgevoerd.
- Moeilijke begrippen worden verduidelijkt.
- De leerkracht controleert regelmatig of de
leerlingen de uitleg begrijpen.
Vanuit halochisch
perspectief kunnen we hier een belangrijke verantwoordelijkheid aan verbinden:
een leerkracht mag er niet zomaar van uitgaan dat een leerling de stof begrijpt
omdat deze is uitgelegd.
Onderwijzen
betekent ook controleren of het onderwijs daadwerkelijk is aangekomen.
Begeleide inoefening: samen leren en verantwoordelijkheid dragen
In de vierde
fase oefenen leerlingen onder begeleiding van de leerkracht.
Dit is een
bijzonder belangrijk moment. De leerling gaat van luisteren naar actief
handelen, maar staat er nog niet alleen voor.
De Joodse
leertraditie kent een sterke cultuur van samen leren. Het chewroese-leren,
waarbij twee leerlingen of studenten samen een tekst bestuderen, is daarvan een
bekend voorbeeld.
Door vragen te
stellen, elkaar uit te dagen en verschillende inzichten te bespreken, ontstaat
verdieping.
De
Talmoedische manier van leren laat zien dat vragen stellen geen teken van
zwakte is. Het is juist een essentieel onderdeel van het verwerven van kennis.
Ook in het
ADI-model worden leerlingen actief betrokken. De leerkracht kan vragen stellen,
leerlingen samen laten oefenen en hen laten uitleggen hoe zij tot een antwoord
zijn gekomen.
Hierbij hoort
ook de waarde van kowaud habrieaus: respect voor de menselijke waardigheid.
Een leerling
die een fout maakt, moet de ruimte krijgen om daarvan te leren. Een fout mag
geen reden zijn voor vernedering of bespotting.
De klas moet
een veilige omgeving zijn waarin kinderen vragen durven te stellen en waarin
zij weten dat hun inspanningen worden gewaardeerd.
Zelfstandige verwerking: groeien naar verantwoordelijkheid
Na de
begeleide oefening krijgen leerlingen de gelegenheid om zelfstandig aan het
werk te gaan.
Deze fase
sluit aan bij een belangrijk doel van chinoech: kinderen voorbereiden op
zelfstandigheid en verantwoordelijkheid.
Een leerling
moet uiteindelijk niet alleen kunnen werken wanneer de leerkracht naast hem
zit. Hij moet leren zelf na te denken, keuzes te maken, problemen op te lossen
en verantwoordelijkheid te dragen voor zijn werk.
Binnen het
orthodox-Joodse onderwijs is dit extra betekenisvol. We willen kinderen niet
uitsluitend leren wat zij moeten doen, maar ook helpen begrijpen waarom zij
iets doen.
Zelfstandig
leren betekent echter niet dat de leerkracht zich terugtrekt en alle
verantwoordelijkheid bij het kind neerlegt.
De leerkracht
blijft observeren, ondersteunen en bijsturen.
Hier ontstaat
ook ruimte voor differentiatie. Sommige leerlingen hebben behoefte aan extra
uitleg, andere leerlingen kunnen zelfstandig verder en weer andere leerlingen
hebben behoefte aan verdieping.
De halochische
en pedagogische opdracht is niet om alle kinderen hetzelfde te behandelen
ongeacht hun behoeften, maar om ieder kind recht te doen binnen de grenzen van
de beschikbare mogelijkheden en de verantwoordelijkheid van de school.
Evaluatie en reflectie: jezelf blijven ontwikkelen
De laatste
fasen van het ADI-model zijn evaluatie en terug- en vooruitblik.
De leerkracht
onderzoekt samen met de leerlingen of het lesdoel is bereikt.
Wat hebben we
geleerd? Wat ging goed? Wat was moeilijk? Wat moeten we nog oefenen?
Deze manier
van reflecteren heeft een mooie parallel met het Joodse begrip chesjbaun
hanefesj: zelfonderzoek.
In het
Jodendom wordt veel waarde gehecht aan het regelmatig onderzoeken van het eigen
handelen. Niet om onszelf voortdurend te bekritiseren, maar om te groeien en
onszelf te verbeteren.
Ook de
leerkracht kan deze houding toepassen.
Na een les kan
hij of zij zichzelf afvragen:
- Hebben alle leerlingen de leerstof begrepen?
- Heb ik voldoende rekening gehouden met
verschillen tussen leerlingen?
- Heb ik mijn uitleg aangepast wanneer dat
nodig was?
- Hebben leerlingen zich veilig gevoeld om
vragen te stellen?
- Wat kan ik de volgende keer verbeteren?
Daarmee wordt
evaluatie meer dan het meten van leerresultaten. Het wordt een onderdeel van
professioneel en persoonlijk verantwoordelijkheidsbesef.
De leerkracht als voorbeeld: niet alleen onderwijzen, maar ook voorleven
Er is nog een
belangrijk aspect dat bij de toepassing van het ADI-model in een Joodse school
niet over het hoofd mag worden gezien.
De leerkracht
is niet alleen degene die kennis overdraagt. Hij of zij is ook een voorbeeld
voor de leerlingen.
De leerlingen
kijken niet uitsluitend naar wat de leerkracht zegt, maar vooral naar hoe de
leerkracht handelt.
Hoe reageert
de leerkracht wanneer een leerling een fout maakt? Hoe gaat hij om met een
leerling die extra aandacht nodig heeft? Hoe spreekt hij over anderen? Is er
ruimte voor verschillen? Wordt iedere leerling met respect behandeld?
Dit zijn
allemaal momenten waarop Joodse waarden zichtbaar worden in de dagelijkse
onderwijspraktijk.
De bekende
uitspraak uit Pirkei Ngoaus 4:12 luidt:
Jehie kewaud
chewrcho choviev ngalecho kesjelcho.
Laat de eer
van je medemens je even dierbaar zijn als je eigen eer.
Een leerkracht
die deze waarde uitdraagt, creëert een omgeving waarin leerlingen zich gezien
en gerespecteerd voelen.
Dat is van
groot belang voor goed onderwijs. Een kind dat zich veilig voelt, zal eerder
vragen stellen, fouten durven maken en actief deelnemen aan de les.
Het ADI-model en de halochische verantwoordelijkheid van de school
Wanneer we het
ADI-model vanuit halochisch perspectief bekijken, zien we dat de verschillende
fasen goed kunnen aansluiten bij belangrijke Joodse onderwijswaarden.
|
ADI-fase |
Joodse
waarde |
|
Terugblik |
Herhaling en
verdieping van kennis |
|
Oriëntatie |
Leren met
betekenis en doel |
|
Uitleg |
Verantwoordelijkheid
van de melamed |
|
Begeleide
inoefening |
Samen leren
en respect |
|
Zelfstandige
verwerking |
Zelfstandigheid
en verantwoordelijkheid |
|
Evaluatie |
Chesjbaun
hanefesj |
|
Terug- en
vooruitblik |
Voortdurende
groei en ontwikkeling |
Het is
belangrijk om hierbij een onderscheid te maken: het ADI-model is geen halochische
verplichting en de zeven fasen zijn niet door Chazal als onderwijsvoorschrift
vastgesteld. Het is een modern didactisch model dat we kunnen inzetten wanneer
het bijdraagt aan de vervulling van onze pedagogische en opvoedkundige
verantwoordelijkheden.
De halochische
uitgangspunten blijven leidend. Het model is een hulpmiddel, geen doel op
zichzelf.
Tot slot: ieder kind is een wereld op zichzelf
In het Joodse
lager onderwijs dragen we een bijzondere verantwoordelijkheid. We bereiden
kinderen niet alleen voor op hun verdere schoolloopbaan, maar ook op hun plaats
binnen Klal Jiesroël.
We willen
kinderen opleiden die kennis hebben, zelfstandig kunnen denken,
verantwoordelijkheid nemen, mitswot met bewustzijn uitvoeren en respectvol met
anderen omgaan.
Het ADI-model
kan ons helpen deze opdracht concreet vorm te geven.
Het biedt
structuur aan de les, activeert leerlingen, stimuleert betrokkenheid en maakt
het mogelijk om bewust stil te staan bij de ontwikkeling van ieder kind.
Maar
uiteindelijk is geen enkel didactisch model belangrijker dan het kind zelf.
De woorden
Chanoch lanangar ngal pie darkau herinneren ons eraan dat ieder kind zijn eigen
weg heeft. Onze taak als leerkracht is om die weg te herkennen, te begeleiden
en te verrijken.
Misschien is
dat wel de belangrijkste verbinding tussen het ADI-model en de Joodse visie op
onderwijs: niet ieder kind dezelfde weg laten bewandelen, maar ieder kind
helpen zijn eigen weg te vinden binnen de waarden en richtlijnen van de Tauroh.
Want goed
Joods onderwijs gaat niet alleen over wat een kind vandaag leert, maar vooral
over de mens die het kind morgen zal worden.
Chinoech is
geen productieproces. Het is een opdracht van verantwoordelijkheid, liefde en
vertrouwen.





