#RABBIJN #SIMON #BORNSTEIN #OP #WERKBEZOEK #BIJ
#MAROKKAANSE #CONSUL #GENERAAL
#BIJ GELEGENHEID #VAN #DE #VIERING #VAN #HET
#TROONFEEST2026
Rabbinaat Alkmaar is een particulier rabbinaat, een voluntariaat. Het Rabbinaat Alkmaar verzorgt Joods onderwijs, cultureel-maatschappelijke activiteiten en pastorale zorg. Het werkgebied omvat het Hollands Noorderkwartier, West-Friesland, Kennemerland, Waterland en de Zaanstreek Trefwoorden: Rabbijn Rabbi Rabbinaat Alkmaar Joods Joden Israëlitisch Israëlitische Joodse Gemeente Pastoraal Zielszorg Joodse Les Synagoge kosher koosjer kasher kashrut
Door: #RABBIJN #SIMON #BORNSTEIN®
Prof.
Dr. Konrad Schmid, verbonden aan de Universiteit van Zürich, is een
vooraanstaand autoriteit op het gebied van de Hebreeuwse Bijbel en de
vroeg-joodse religiegeschiedenis.
Hoewel de term 'oecumene' in strikte zin verwijst naar de christelijke eenheidsbeweging, gebruikt Schmid deze in een bredere, historisch-theologische context om de interactie tussen verschillende tradities en culturele sferen te duiden.
Schmid benadrukt dat de Hebreeuwse Bijbel geen geïsoleerd product is, maar voortkomt uit een intensief proces van inner-bijbelse exegese en culturele uitwisseling binnen het oude Nabije Oosten.
Wanneer we kijken naar de relatie tussen de Hebreeuwse traditie en de bredere semitische wereld, wijst Schmid op de politisering van godsvoorstellingen. De transformatie van de godheid tot een wetgever—een concept dat in de Tauroh centraal staat—is een innovatie die zich afzet tegen, maar ook reageert op, de bredere oriëntaalse rechtsgeschiedenis.
De vraag naar een 'joods-arabische oecumene' binnen de Hebreeuwse Bijbel raakt aan de kern van Schmids onderzoek naar de vorming van de Pentateuch.
Hij stelt dat de Bijbelse teksten in een voortdurende dialoog staan met hun omgeving. In zijn analyse van de 'dubbele oorsprong' van Israël—de verhalen over de aartsvaders en de Exodus—laat hij zien hoe verschillende tradities werden samengevoegd tot een samenhangend geheel.
Deze redactionele processen weerspiegelen een intellectuele openheid die, hoewel niet oecumenisch in de moderne zin, wel degelijk wijst op een gedeelde semitische intellectuele ruimte waarin juridische en theologische concepten werden uitgewisseld en geherinterpreteerd.
Schmid betoogt dat de divinisering van de Tauroh niet leidde tot een statisch dogma, maar juist een vruchtbaar proces van interpretatie initieerde.
Dit proces stelde de teksten in staat om te overleven in verschillende culturele contexten. De 'oecumenische' potentie ligt hier in de wijze waarop de Bijbel zichzelf openstelt voor voortdurende herlezing.
Door de Hebreeuwse Bijbel te zien als een literair en theologisch project dat voortdurend in beweging is, daagt Schmid ons uit om de grenzen tussen 'joods' en 'arabisch' (of breder: semitisch) in de oudheid niet als rigide muren te zien, maar als poreuze membranen waarbinnen een gedeelde religieuze grammatica kon ontstaan.
Door: #Rabbijn #Simon #Bornstein®
Deze zomer biedt de Utrecht Summer School cursus Medieval Chant een bijzondere gelegenheid om kennis te maken met de rijke wereld van de middeleeuwse liturgische zang. Een belangrijk onderdeel van deze muzikale erfenis is het werk van Hildegard van Bingen, een van de meest fascinerende religieuze figuren uit de Europese Middeleeuwen.
Ook de muziek van Hildegard is fundamenteel monofonisch. Wanneer een groep zusters haar composities uitvoerde, zongen zij dezelfde melodie. De aandacht richtte zich daardoor volledig op tekst, betekenis en gebed.
De Utrecht Summer School biedt daarom meer dan een technische cursus over middeleeuwse zang. Zij biedt een kans om te ontdekken hoe muziek religieuze grenzen kan overstijgen zonder deze uit te wissen. In de stemmen van middeleeuwse nonnen en in de melodieën van de synagoge klinkt een gedeeld menselijk verlangen: om door zang iets van het goddelijke te benaderen.
Laat ons vandaag ingaan op de periode van de Drie Weken (Bein ha-Metzorim), die begint op de zeventiende dag van de maand Tammoez en eindigt op de treur- en vastendag Tisjebov. Deze periode herinnert ons aan de verwoesting van onze Heilige Tempels.
Hoewel deze halloches mogelijk enigszins zwaar aanvoelen, dragen ze een diepe spirituele belofte in zich. Onze profeten, zoals Jesaja en Jeremio, waren niet alleen profeten van de ondergang, maar juist de grootste brengers van hoop.
In
de Tauroh
klinkt voortdurend de oproep: “Kies het leven”
(Deworiem/Deuteronomium
30:19). De mens is geschapen betselem
Elauhiem
— naar Gods beeld — en daarom bezit elk leven oneindige waarde.
In de Haloche,
de Joodse wet, geldt het behoud van leven (piekoeach
nefesj)
bijna altijd als hoogste prioriteit.
Toch
ontkent het jodendom de dood niet. Vanaf de aartsvaders tot aan de
rabbijnen van de Talmoed wordt sterfelijkheid gezien als onderdeel
van de menselijke conditie.
Avraham begraaft Sara
met tranen. Jangakauv verzamelt zijn kinderen rond zijn sterfbed om
hen te zegenen. Moosje sterft op de berg Neiwo, kijkend naar het
beloofde land dat hij niet zal binnengaan. De dood is tragisch, maar
niet zinloos.
De rabbijnen leerden dat de manier waarop iemand sterft, iets openbaart over zijn leven. Niet in de zin van straf of beloning, maar als laatste getuigenis van geloof, karakter en verbondenheid.
Een
van de belangrijkste elementen van de Joodse voorbereiding op de dood
is het Wieddoej,
de laatste schuldbelijdenis. Wanneer iemand voelt dat het einde
nadert, spreekt men woorden uit van berouw, vergeving en vertrouwen
in God. Dit gebed is geen wanhoopskreet, maar een spirituele
afronding van het leven.
De
Talmoed vertelt dat zelfs grote wijzen hun laatste momenten
gebruikten voor gebed en introspectie. Rabbijn Jauchenon ben Zakkai
huilde op zijn sterfbed, niet uit angst voor vernietiging, maar uit
ontzag voor het goddelijk oordeel. Zijn leerlingen vroegen waarom hij
weende, en hij antwoordde dat hij niet wist langs welke weg hij
geleid zou worden.
Die
nederigheid is essentieel binnen de Joodse ars
moriendi.
Geen mens claimt zekerheid over zijn eigen rechtvaardigheid.
Uiteindelijk vertrouwt men zich toe aan Gods barmhartigheid.
zIn
het jodendom sterft niemand idealiter alleen. Familie, leerlingen en
gemeenschap spelen een centrale rol. Het bezoeken van zieken (biekoer
chauliem)
geldt als een grote mitswe.
De
aanwezigheid van geliefden rondom het sterfbed weerspiegelt de
overtuiging dat menselijke waardigheid behouden blijft tot de laatste
ademtocht.
In traditionele gemeenschappen sprak men psalmen bij het sterfbed, vooral Tehilliem/ Psalm 23: “Al ga ik door een dal van diepe duisternis, ik vrees geen kwaad, want Gij zijt bij mij.”
Na het overlijden neemt de chewre kadiesje — het heilige begrafenisgenootschap — de zorg voor het lichaam op zich. Het wassen en kleden van de overledene gebeurt met grote eerbied. Het lichaam wordt niet gezien als een leeg omhulsel, maar als het vat waarin de ziel haar aardse opdracht vervulde.
Tijdens de kruistochten, de Spaanse inquisitie en talloze pogroms kreeg de Joodse ars moriendi een nieuwe dimensie: die van kieddoesj Hosjeim, de heiliging van Gods naam.
Joden die geconfronteerd werden met gedwongen bekering kozen soms vrijwillig voor de dood boven afvalligheid. Middeleeuwse kronieken beschrijven huiveringwekkende scènes van gemeenschappen die het Sjemang Jisroël reciteerden terwijl zij stierven.
Vanuit modern perspectief zijn deze verhalen moeilijk te bevatten. Toch moeten zij begrepen worden binnen hun historische context van extreme vervolging en religieuze terreur. Voor deze gemeenschappen betekende trouw aan het verbond meer dan biologisch overleven.
Tegelijkertijd benadrukten veel rabbijnen juist dat men moest leven waar mogelijk. Het jodendom zoekt geen martelaarschap. De held is niet degene die sterft, maar degene die ondanks alles blijft leven als Jood.
Binnen het chassidisme kreeg sterven soms een mystieke betekenis. De ziel of nesjomme werd gezien als een goddelijke vonk die terugkeert naar haar oorsprong. Chassidische verhalen beschrijven rechtvaardigen die hun laatste adem uitbliezen tijdens gebed, studie of het zingen van heilige melodieën.
Toch bleef ook hier de nadruk op het leven bestaan. Rabbi Nachman van Breslov waarschuwde tegen obsessie met dood en ascese. Men moest God dienen met vreugde in deze wereld.
De dood is volgens de chassidische traditie geen vernietiging, maar overgang. Zoals de Talmoed zegt: “De rechtvaardigen worden zelfs na hun dood levend genoemd.”
Geen bespreking van Joodse omgang met sterven kan voorbijgaan aan de Shoah. De vernietiging van zes miljoen Joden stelde alle traditionele woorden op de proef. Hoe spreekt men over een “goede dood” in Auschwitz?
Toch getuigen talloze verhalen van spirituele kracht te midden van ontmenselijking. Mensen deelden hun laatste stuk brood, fluisterden gebeden, onderwezen kinderen of staken clandestien chanoekalichtjes aan. Sommigen gingen zingend de gaskamers binnen met het Sjema op de lippen.
Na de oorlog worstelden theologen met de vraag hoe men nog over God en dood kon spreken. Sommigen verloren hun geloof; anderen verdiepten het juist. Maar vrijwel allen wezen goedkope antwoorden af. De Joodse ars moriendi na de Shoah kent daarom een zekere terughoudendheid. Stilte kan heiliger zijn dan verklaringen.
In onze tijd staat de Joodse ethiek voor nieuwe vragen: levensverlenging, palliatieve zorg, euthanasie en medische technologie. Orthodoxe rabbijnen benadrukken doorgaans dat het leven beschermd moet worden, maar erkennen ook dat men sterven niet kunstmatig hoeft te rekken wanneer genezing onmogelijk is.
De stervende heet in de Haloche een gauseis — iemand in de laatste levensfase. Men moet uiterst voorzichtig omgaan met deze kwetsbare toestand. Het leven mag niet actief beëindigd worden, maar men hoeft ook niet altijd elk medisch middel in te zetten om het stervensproces eindeloos te verlengen.
Daarom groeit binnen orthodoxe kring de aandacht voor palliatieve begeleiding, aanwezigheid, gebed en menselijke nabijheid.
Uiteindelijk leert de Joodse traditie dat de kunst van het sterven niet losstaat van de kunst van het leven. Wie met compassie leeft, met rechtvaardigheid handelt en met nederigheid wandelt voor God, bereidt zich al gedurende zijn leven voor op de dood.
Pirkei Ngowaus zegt: “Bekeer u één dag vóór uw dood.” Omdat niemand weet wanneer die dag komt, betekent dit: leef elke dag bewust.
De Joodse ars moriendi is daarom geen morbide fixatie op het einde. Zij is een oproep tot verantwoordelijkheid, verzoening, gemeenschap en vertrouwen. De mens komt uit stof voort en keert tot stof terug — maar tussen geboorte en dood krijgt hij de kans om iets van eeuwigheid in de tijd te brengen.
#DE
#HEILIGE #REIS #NAAR #HET #EINDE. #EEN #JOODS #PERSPECTIEF #OP
#LIJDEN #EN #WAARDIGHEID
#Rabbijn
#Simon #Bornstein®
Een rabbijn wordt als geestelijk verzorger wordt onvermijdelijk geconfronteerd met de diepste vragen van het menselijk bestaan. Wanneer een ziel, zoals van die jongeman, na een leven vol ontbering, eenzaamheid en een langdurige doodswens achter zich heeft, is het onze taak om met uiterste tederheid te kijken naar wat de Halocha (de Joodse wet) ons leert over het levenseinde.
In
het Jodendom is het leven heilig, een geschenk van de Schepper dat
wij niet zomaar mogen beëindigen. Het concept van Piekoeach
Nefesj
—
het redden van een leven — is een fundamentele pijler.
Echter,
wanneer iemand lijdt aan een ongeneeslijke ziekte en de dood
onvermijdelijk is, leert onze traditie ons dat we het stervensproces
niet onnodig mogen rekken als dat slechts leidt tot ondraaglijk
lijden.
Wanneer iemand zich zijn hele leven eenzaam en ontheemd heeft gevoeld, is het onze religieuze plicht om hem in zijn laatste dagen te omringen met de menselijke warmte die hij eerder heeft gemist.
Hoewel de wetgeving rondom euthanasie in Nederland strikte zorgvuldigheidseisen stelt, is het voor een rabbijn cruciaal om te benadrukken dat het beëindigen van het leven een grens is die wij met ontzag en gebed benaderen.
Wij
zijn geen meesters over onze eigen tijd, maar wij zijn wel geroepen
om barmhartigheid te tonen. Als de medische realiteit uitzichtloos
is, en het lijden niet meer te verzachten valt, verschuift onze focus
van 'genezen' naar 'begeleiden'.
In het Nederlandse
stelsel is de arts gebonden aan de Wet
toetsing levensbeëindiging op verzoek en hulp bij zelfdoding
(Wtl).
Als begeleidende
rabbijn zorg
ik ervoor dat de cliënt begrijpt dat zijn verzoek nu, in
tegenstelling tot vroeger, wordt erkend op basis van zijn medische
lijden. Dit kan een gevoel van 'eindelijk gehoord worden' geven, wat
een enorme psychologische ontlasting teweegbrengt.
Voor deze jongeman is de 'toestemming' voor euthanasie wellicht niet alleen een medische uitkomst, maar een erkenning van zijn jarenlange strijd. Als rabbijn zou ik hem willen meegeven: "Je bent nooit alleen geweest in de ogen van de Eeuwige." Zelfs in de diepste eenzaamheid van een pleegkind dat van huis naar huis trok, was er een goddelijke vonk die hem droeg.
Zijn dood is geen vlucht, maar een terugkeer naar de bron. Moge zijn ziel rust vinden in de schaduw van de Almachtige, en moge zijn laatste reis worden omgeven door de vrede die hij in dit aardse leven zo vaak heeft moeten missen.
#RABBIJN #SIMON #BORNSTEIN #OP #WERKBEZOEK #BIJ #MAROKKAANSE #CONSUL #GENERAAL #BIJ GELEGENHEID #VAN #DE #VIERING #VAN #HET #TROONFEEST20...