woensdag 29 juli 2026

#DE #HERMEUTISCHE #HORIZON #VAN #HOOGLERAAR #KONRAD #SCHMID, #EEN #REFLECTIE #OP #DE HEBREEUWSE #BIJBEL

 


#DE #HERMEUTISCHE #HORIZON #VAN #HOOGLERAAR #KONRAD #SCHMID, #EEN #REFLECTIE #OP #DE HEBREEUWSE #BIJBEL


Door: #RABBIJN #SIMON #BORNSTEIN®



Prof. Dr. Konrad Schmid, verbonden aan de Universiteit van Zürich, is een vooraanstaand autoriteit op het gebied van de Hebreeuwse Bijbel en de vroeg-joodse religiegeschiedenis.

Zijn omvangrijke oeuvre, waaronder werken als A Historical Theology of the Hebrew Bible en The Making of the Bible, biedt een kritisch kader voor het begrijpen van de vorming van heilige geschriften.

Een intrigerende vraag die in zijn onderzoek naar voren komt, is of er in de Hebreeuwse Bijbel sprake is van een 'joods-arabische oecumene'.



Hoewel de term 'oecumene' in strikte zin verwijst naar de christelijke eenheidsbeweging, gebruikt Schmid deze in een bredere, historisch-theologische context om de interactie tussen verschillende tradities en culturele sferen te duiden.



Schmid benadrukt dat de Hebreeuwse Bijbel geen geïsoleerd product is, maar voortkomt uit een intensief proces van inner-bijbelse exegese en culturele uitwisseling binnen het oude Nabije Oosten.


Wanneer we kijken naar de relatie tussen de Hebreeuwse traditie en de bredere semitische wereld, wijst Schmid op de politisering van godsvoorstellingen. De transformatie van de godheid tot een wetgever—een concept dat in de Tauroh centraal staat—is een innovatie die zich afzet tegen, maar ook reageert op, de bredere oriëntaalse rechtsgeschiedenis.



De vraag naar een 'joods-arabische oecumene' binnen de Hebreeuwse Bijbel raakt aan de kern van Schmids onderzoek naar de vorming van de Pentateuch.


Hij stelt dat de Bijbelse teksten in een voortdurende dialoog staan met hun omgeving. In zijn analyse van de 'dubbele oorsprong' van Israël—de verhalen over de aartsvaders en de Exodus—laat hij zien hoe verschillende tradities werden samengevoegd tot een samenhangend geheel.


Deze redactionele processen weerspiegelen een intellectuele openheid die, hoewel niet oecumenisch in de moderne zin, wel degelijk wijst op een gedeelde semitische intellectuele ruimte waarin juridische en theologische concepten werden uitgewisseld en geherinterpreteerd.


Schmid betoogt dat de divinisering van de Tauroh niet leidde tot een statisch dogma, maar juist een vruchtbaar proces van interpretatie initieerde.


Dit proces stelde de teksten in staat om te overleven in verschillende culturele contexten. De 'oecumenische' potentie ligt hier in de wijze waarop de Bijbel zichzelf openstelt voor voortdurende herlezing.


Door de Hebreeuwse Bijbel te zien als een literair en theologisch project dat voortdurend in beweging is, daagt Schmid ons uit om de grenzen tussen 'joods' en 'arabisch' (of breder: semitisch) in de oudheid niet als rigide muren te zien, maar als poreuze membranen waarbinnen een gedeelde religieuze grammatica kon ontstaan.






donderdag 23 juli 2026

#REFLECTIES #OP #TISJEBOV #EN #DE #ROL #VAN #EICHO





Tisjebov staat bekend als de droevigste dag op de Joodse kalender, ter herdenking van de vernietiging van zowel de Eerste als de Tweede Beis Hamikdesj in Jeroesjolojiem, samen met een lange reeks nationale tragedies.

Centraal in de rouwliturgie van deze sombere nacht van de vastendag staat het openbaar reciteren van Megillas Eicho, het Boek van de Klaagliederen, dat traditioneel wordt toegeschreven aan de profeet Jeremia.

Terwijl de leden van de kehille laag op de grond zitten in het gedimde licht in sjoel, lezen zij de aangrijpende Kienaus – klaagzangen die de totale verlatenheid, hongersnood en verwaarlozing tijdens de belegering van Jeruzalem vastleggen.

De Rol van Eicho gaat echter veel verder dan louter historische herinnering; het biedt een sacraal vat voor collectieve katharsis en emotionele verwerking. Zoals opgemerkt in traditionele commentaren, is de naam Eicho —wat "Hoe" betekent—een existentiële kreet die vraagt hoe de goddelijke bescherming kon worden opgeheven en hoe de mensheid zo diep kon vallen.

Toch liggen in de diepgaande en hartverscheurende verzen kernen van aanhoudende veerkracht, het meest beroemd verwoord in het vers "Vernieuw onze dagen als van oudher" (Klaagliederen 5:21).

Door ons onder te dompelen in de rauwe, ongefilterde rouw van Eicho koesteren we geen permanente wanhoop; in plaats daarvan confronteren we onze spirituele tekortkomingen en valideren we onze nationale wonden.

Deze intense confrontatie met verlies creëert de essentiële psychologische en spirituele basis voor de diepgaande troost van parsje Nachamoe, waarmee wordt bewezen dat ware vertroosting pas ten volle kan worden gewaardeerd en geïntegreerd nadat men de diepte van de beproeving in alle bescheidenheid tegenover Hasjem volledig heeft erkend.

woensdag 22 juli 2026

#HILDEGARD #VAN #BINGEN #EN #DE #ECHO #VAN #DE #SYNAGOGE


 

Hildegard van Bingen en de echo van de synagoge

Over de Utrecht Summer School Medieval Chant en verrassende overeenkomsten tussen christelijke en joodse zangtradities


Door: #Rabbijn #Simon #Bornstein®


Deze zomer biedt de Utrecht Summer School cursus Medieval Chant een bijzondere gelegenheid om kennis te maken met de rijke wereld van de middeleeuwse liturgische zang. Een belangrijk onderdeel van deze muzikale erfenis is het werk van Hildegard van Bingen, een van de meest fascinerende religieuze figuren uit de Europese Middeleeuwen.

Als rabbijn luister ik met grote belangstelling naar haar muziek, niet omdat zij deel uitmaakt van de joodse traditie, maar omdat haar composities en de bredere traditie van het gregoriaans verrassende raakvlakken vertonen met eeuwenoude synagogale melodieën.

Hoewel christendom en jodendom zich al vroeg als afzonderlijke religieuze gemeenschappen ontwikkelden, delen zij een gemeenschappelijke wortel. Dat geldt niet alleen voor de Schrift, maar ook voor bepaalde vormen van liturgische voordracht en zang.

Wie aandachtig luistert naar de melodische lijnen van Hildegard en deze vergelijkt met traditionele joodse gebedszang, ontdekt soms een verwantschap die terugreikt tot de religieuze cultuur van de late oudheid.

Hildegard van Bingen: visionair en componist

Hildegard van Bingen (1098–1179) was abdis, mystica, theoloog, schrijver, natuuronderzoeker en componist. In een tijd waarin vrouwen zelden een publieke intellectuele rol speelden, ontwikkelde zij een indrukwekkend oeuvre dat tot op heden wordt bestudeerd en uitgevoerd.

Haar muzikale werken onderscheiden zich door hun originaliteit. Waar veel gregoriaanse melodieën relatief sober zijn, kenmerken Hildegards composities zich door grote melodische sprongen, een opvallende expressiviteit en een bijna contemplatieve intensiteit. Haar muziek lijkt niet alleen bedoeld om teksten te begeleiden, maar ook om de luisteraar een spirituele ervaring te laten ondergaan.

Voor moderne oren klinkt haar muziek soms exotisch en tijdloos tegelijk. Zij beweegt zich buiten de harmonische verwachtingen van latere westerse muziek en creëert een klankwereld die eerder zweeft dan voortschrijdt. Juist daarin herkennen veel kenners van joodse liturgische muziek iets vertrouwds.

De plaats van zang in religieuze ervaring

Binnen het jodendom heeft zang altijd een centrale rol gespeeld. De Psalmen spreken voortdurend over zingen voor God. In de Tempel van Jeruzalem begeleidden de Levieten de eredienst met gezongen lofprijzingen. Na de verwoesting van de Tweede Tempel in het jaar 70 bleef de stem het belangrijkste muzikale instrument van het joodse gebed.

Ook in de christelijke traditie kreeg de menselijke stem een bijzondere status. Vroege kerkvaders zagen de zuivere stem als het meest geschikte middel om God te loven. Daardoor ontwikkelde zich een traditie van eenstemmige zang die uiteindelijk uitmondde in het gregoriaans.

Deze nadruk op de stem zonder uitgebreide instrumentale begeleiding vormt een eerste belangrijke overeenkomst tussen beide tradities. In beide gevallen wordt de menselijke stem beschouwd als een direct instrument van devotie.

Monofonie: één stem, één gemeenschap

Een van de opvallendste kenmerken van zowel gregoriaanse zang als traditionele synagogale zang is de monofonie. Dat betekent dat er één melodische lijn wordt gezongen, zonder meerstemmige harmonieën.

In veel orthodoxe synagogen wordt tot op de dag van vandaag gebeden volgens dit principe. De voorzanger, de chazzan, leidt de gemeente door een melodische lijn die door de gemeenschap wordt gevolgd of beantwoord. De kracht ligt niet in harmonische complexiteit maar in spirituele concentratie.

Ook de muziek van Hildegard is fundamenteel monofonisch. Wanneer een groep zusters haar composities uitvoerde, zongen zij dezelfde melodie. De aandacht richtte zich daardoor volledig op tekst, betekenis en gebed.

Voor wie vertrouwd is met synagogale tradities roept dit een herkenbaar gevoel op: muziek als collectieve spirituele ademhaling.

Modale melodieën

Een tweede overeenkomst betreft het gebruik van modi. Middeleeuwse christelijke muziek was gebaseerd op kerktoonsoorten die sterk verschillen van het latere majeur- en mineursysteem.

Ook veel joodse gebedstradities maken gebruik van modale structuren. In de Asjkenozische wereld spreekt men vaak van noesach: traditionele melodische patronen die verbonden zijn met specifieke gebeden, feestdagen of liturgische seizoenen.

Wanneer men bepaalde composities van Hildegard beluistert, valt op dat zij zich beweegt binnen modale klankwerelden die soms verrassend dicht liggen bij patronen die men aantreft in synagogale recitatie. Dit betekent niet dat er sprake is van directe muzikale overname, maar wel van gedeelde muzikale wortels in de religieuze cultuur van het Middellandse Zeegebied en Europa.

De kunst van de gezongen tekst

In zowel de synagoge als het middeleeuwse klooster staat de tekst centraal. Muziek is geen doel op zichzelf, maar een middel om woorden dieper te laten resoneren.

Binnen het jodendom wordt de Tauroh niet eenvoudig voorgelezen maar gezongen volgens vaste melodische accenten, bekend als tangemei ha-mikro. Deze zangvorm helpt niet alleen bij de voordracht, maar onthult ook grammaticale en inhoudelijke structuren van de tekst.

Een vergelijkbaar principe vinden we in gregoriaanse zang. Ook daar volgt de melodie de natuurlijke beweging van de heilige tekst. De muziek ondersteunt de betekenis van de woorden en versterkt hun spirituele impact.

Hildegard bracht dit principe naar een bijzonder hoog niveau. Haar melodieën lijken soms rechtstreeks voort te vloeien uit de inhoud van de tekst. Wanneer zij schrijft over hemels licht, stijgt de melodie omhoog; wanneer zij spreekt over nederigheid, daalt zij weer af. De muziek wordt zo een vorm van interpretatie.

Mystiek en klank

Misschien ligt de diepste overeenkomst niet in de techniek van de muziek, maar in haar spirituele functie.

Hildegard beschouwde muziek als een weerspiegeling van de harmonie van de schepping. Volgens haar had de mens vóór de zondeval een bijzondere verbinding met de hemelse muziek. Religieuze zang hielp iets van die oorspronkelijke harmonie te herstellen.

Ook binnen de joodse mystieke traditie speelt muziek een belangrijke rol. De kabbalistische literatuur beschrijft hoe gebed de verschillende spirituele werelden met elkaar verbindt. Later benadrukte de chassidische beweging de kracht van melodieën (niggoeniem) om de ziel dichter bij God te brengen.

Hoewel de theologische systemen verschillen, herkennen we een gemeenschappelijke intuïtie: muziek is meer dan esthetiek. Zij vormt een brug tussen het aardse en het goddelijke.

Historische raakvlakken

Historici wijzen erop dat vroege christelijke liturgie ontstond in een omgeving waarin joodse gebedstradities nog sterk aanwezig waren. De eerste volgelingen van Jezus waren immers Joden die vertrouwd waren met de eredienst van synagoge en Tempel.

Het is aannemelijk dat bepaalde vormen van psalmrecitatie, responsoriale zang en liturgische voordracht vanuit die context invloed hebben uitgeoefend op de ontwikkeling van christelijke zangtradities. Natuurlijk veranderden deze tradities in de loop der eeuwen aanzienlijk en ontwikkelden zij hun eigen karakter.

Toch blijft het fascinerend dat een luisteraar vandaag nog steeds overeenkomsten kan waarnemen tussen sommige synagogale melodieën en bepaalde aspecten van middeleeuwse christelijke zang.

Waarom deze vergelijking relevant blijft

In een tijd waarin religies vaak worden besproken vanuit hun verschillen, kan muziek ons herinneren aan een gedeelde geschiedenis. Het gaat daarbij niet om het uitwissen van theologische grenzen. Jodendom en christendom blijven verschillende geloofstradities met eigen overtuigingen en praktijken.

Maar muziek laat zien dat culturen elkaar beïnvloeden, van elkaar leren en soms een gemeenschappelijke oorsprong delen. Wanneer studenten tijdens de Utrecht Summer School de muziek van Hildegard bestuderen, ontdekken zij niet alleen een hoofdstuk uit de Europese muziekgeschiedenis. Zij maken ook kennis met een klankwereld die indirect verbonden is met bredere religieuze tradities van het Westen.

Voor joodse luisteraars kan dit een gelegenheid zijn om met nieuwe oren naar hun eigen erfgoed te luisteren. Voor christelijke musici opent het een venster op de historische context waaruit een deel van hun muzikale traditie is voortgekomen.

Een uitnodiging tot luisteren

De muziek van Hildegard van Bingen is geen museumstuk. Zij spreekt nog steeds tot moderne luisteraars omdat zij een universele menselijke ervaring raakt: het verlangen naar betekenis, schoonheid en transcendentie.

Wie haar composities beluistert, hoort meer dan middeleeuwse noten. Men hoort een zoektocht naar het heilige. Die zoektocht klinkt ook door in de eeuwenoude melodieën van de synagoge, in de gezongen Psalmen, in de cantillatie van de Tauroh en in de mystieke niggoen.



De Utrecht Summer School biedt daarom meer dan een technische cursus over middeleeuwse zang. Zij biedt een kans om te ontdekken hoe muziek religieuze grenzen kan overstijgen zonder deze uit te wissen. In de stemmen van middeleeuwse nonnen en in de melodieën van de synagoge klinkt een gedeeld menselijk verlangen: om door zang iets van het goddelijke te benaderen.

Misschien is dat wel de meest waardevolle les die Hildegard van Bingen ons vandaag nog kan leren. Niet dat alle tradities hetzelfde zijn, maar dat oprechte religieuze muziek mensen kan uitnodigen tot aandacht, verwondering en ontmoeting. Wanneer wij werkelijk luisteren, ontdekken wij soms dat eeuwenoude stemmen elkaar nog steeds beantwoorden.


dinsdag 21 juli 2026

#DE #DRIE #WEKEN #VOOR #TISJEBOV

 


#DE #DRIE #WEKEN #VOOR #TISJEBOV

Door: #RABBIJN #SIMON #BORNSTEIN®

Laat ons vandaag ingaan op de periode van de Drie Weken (Bein ha-Metzorim), die begint op de zeventiende dag van de maand Tammoez en eindigt op de treur- en vastendag Tisjebov. Deze periode herinnert ons aan de verwoesting van onze Heilige Tempels.


De halloche leert ons om stapsgewijs onze vreugde te verminderen om de pijn van de ballingschap diep te voelen. Tijdens de eerste fase, vanaf 17 Tammoez, onthouden we ons van feesten, huwelijken, het luisteren naar live muziek, het knippen van ons haar en het scheren van de baard.

Ook vermijden we het uitspreken van de Sjehechejonoe-brooche over nieuwe kleding of vruchten. Vanaf Rausj Chaudeisj Ngov treden de 'Negen Dagen' in, waarin we bovendien geen vlees eten, geen wijn drinken (behalve op Sjabbes ) en geen vers gewassen kleding dragen.


Hoewel deze halloches mogelijk enigszins zwaar aanvoelen, dragen ze een diepe spirituele belofte in zich. Onze profeten, zoals Jesaja en Jeremio, waren niet alleen profeten van de ondergang, maar juist de grootste brengers van hoop.


Zij leerden ons dat de vernietiging nooit het eindstation is. De Talmoed belooft dat eenieder die treurt om Jeroesjolojiem, de uiteindelijke herbouw en vreugde ervan zal aanschouwen. Thans en in onze dagen.


De tranen die we in deze drie weken vergieten, zijn de zaden voor de toekomstige verlossing. Juist in de diepste duisternis glinstert het licht van de Sjechino.

Laten we deze periode gebruiken voor innerlijke groei, liefde voor de medemens (ahavas chienom) en dawenen.

Heb goede hoop voor de toekomst: de spirituele Beis HaMikdesj zal spoedig in onze dagen worden herbouwd, en deze dagen van rouw zullen veranderen in dagen van ultieme vreugde en feest., veel en grote simches bij gezond!

woensdag 15 juli 2026

ARS MORIENDI DOOR DE JOODSE EEUWEN HEEN.

 


ARS MORIENDI DOOR DE JOODSE EEUWEN HEEN.


Door: RABBIJN #SIMON #BORNSTEIN®


De Latijnse uitdrukking
ars moriendi betekent letterlijk: “de kunst van het sterven”. In de christelijke middeleeuwen ontstonden handleidingen die de gelovige moesten voorbereiden op een goede dood. Maar ook binnen het jodendom bestaat een rijke, eeuwenoude traditie rondom sterven, afscheid nemen en de voorbereiding van de ziel op haar ontmoeting met de Eeuwige.



Toch verschilt de Joodse benadering fundamenteel van de klassieke christelijke
ars moriendi. Het jodendom verheerlijkt de dood niet; het heiligt het leven. Juist daarom krijgt het sterven een diepe waardigheid.

Het leven staat centraal


In de T
auroh klinkt voortdurend de oproep: “Kies het leven” (Deworiem/Deuteronomium 30:19). De mens is geschapen betselem Elauhiem — naar Gods beeld — en daarom bezit elk leven oneindige waarde. In de Haloche, de Joodse wet, geldt het behoud van leven (piekoeach nefesj) bijna altijd als hoogste prioriteit.



Toch ontkent het jodendom de dood niet. Vanaf de aartsvaders tot aan de rabbijnen van de Talmoed wordt sterfelijkheid gezien als onderdeel van de menselijke conditie.


Avraham begraaft Sara met tranen. Jangakauv verzamelt zijn kinderen rond zijn sterfbed om hen te zegenen. Moosje sterft op de berg Neiwo, kijkend naar het beloofde land dat hij niet zal binnengaan. De dood is tragisch, maar niet zinloos.


De rabbijnen leerden dat de manier waarop iemand sterft, iets openbaart over zijn leven. Niet in de zin van straf of beloning, maar als laatste getuigenis van geloof, karakter en verbondenheid.


Wieddoej: de laatste belijdenis



Een van de belangrijkste elementen van de Joodse voorbereiding op de dood is het
Wieddoej, de laatste schuldbelijdenis. Wanneer iemand voelt dat het einde nadert, spreekt men woorden uit van berouw, vergeving en vertrouwen in God. Dit gebed is geen wanhoopskreet, maar een spirituele afronding van het leven.



De Talmoed vertelt dat zelfs grote wijzen hun laatste momenten gebruikten voor gebed en introspectie. Rabbijn Jauchenon ben Zakkai huilde op zijn sterfbed, niet uit angst voor vernietiging, maar uit ontzag voor het goddelijk oordeel. Zijn leerlingen vroegen waarom hij weende, en hij antwoordde dat hij niet wist langs welke weg hij geleid zou worden.


Die nederigheid is essentieel binnen de Joodse ars moriendi. Geen mens claimt zekerheid over zijn eigen rechtvaardigheid. Uiteindelijk vertrouwt men zich toe aan Gods barmhartigheid.


De gemeenschap rondom de stervende


zIn het jodendom sterft niemand idealiter alleen. Familie, leerlingen en gemeenschap spelen een centrale rol. Het bezoeken van zieken (
biekoer chauliem) geldt als een grote mitswe.



De aanwezigheid van geliefden rondom het sterfbed weerspiegelt de overtuiging dat menselijke waardigheid behouden blijft tot de laatste ademtocht.


In traditionele gemeenschappen sprak men psalmen bij het sterfbed, vooral Tehilliem/ Psalm 23: “Al ga ik door een dal van diepe duisternis, ik vrees geen kwaad, want Gij zijt bij mij.”



Na het overlijden neemt de chewre kadiesje — het heilige begrafenisgenootschap — de zorg voor het lichaam op zich. Het wassen en kleden van de overledene gebeurt met grote eerbied. Het lichaam wordt niet gezien als een leeg omhulsel, maar als het vat waarin de ziel haar aardse opdracht vervulde.



Middeleeuwse vervolgingen en martelaarschap



Tijdens de kruistochten, de Spaanse inquisitie en talloze pogroms kreeg de Joodse ars moriendi een nieuwe dimensie: die van kieddoesj Hosjeim, de heiliging van Gods naam.



Joden die geconfronteerd werden met gedwongen bekering kozen soms vrijwillig voor de dood boven afvalligheid. Middeleeuwse kronieken beschrijven huiveringwekkende scènes van gemeenschappen die het Sjemang Jisroël reciteerden terwijl zij stierven.



Vanuit modern perspectief zijn deze verhalen moeilijk te bevatten. Toch moeten zij begrepen worden binnen hun historische context van extreme vervolging en religieuze terreur. Voor deze gemeenschappen betekende trouw aan het verbond meer dan biologisch overleven.


Tegelijkertijd benadrukten veel rabbijnen juist dat men moest leven waar mogelijk. Het jodendom zoekt geen martelaarschap. De held is niet degene die sterft, maar degene die ondanks alles blijft leven als Jood.



Chassidische visie: sterven als terugkeer



Binnen het chassidisme kreeg sterven soms een mystieke betekenis. De ziel of nesjomme werd gezien als een goddelijke vonk die terugkeert naar haar oorsprong. Chassidische verhalen beschrijven rechtvaardigen die hun laatste adem uitbliezen tijdens gebed, studie of het zingen van heilige melodieën.



Toch bleef ook hier de nadruk op het leven bestaan. Rabbi Nachman van Breslov waarschuwde tegen obsessie met dood en ascese. Men moest God dienen met vreugde in deze wereld.



De dood is volgens de chassidische traditie geen vernietiging, maar overgang. Zoals de Talmoed zegt: “De rechtvaardigen worden zelfs na hun dood levend genoemd.”



De Shoah en de breuk van de moderniteit



Geen bespreking van Joodse omgang met sterven kan voorbijgaan aan de Shoah. De vernietiging van zes miljoen Joden stelde alle traditionele woorden op de proef. Hoe spreekt men over een “goede dood” in Auschwitz?



Toch getuigen talloze verhalen van spirituele kracht te midden van ontmenselijking. Mensen deelden hun laatste stuk brood, fluisterden gebeden, onderwezen kinderen of staken clandestien chanoekalichtjes aan. Sommigen gingen zingend de gaskamers binnen met het Sjema op de lippen.



Na de oorlog worstelden theologen met de vraag hoe men nog over God en dood kon spreken. Sommigen verloren hun geloof; anderen verdiepten het juist. Maar vrijwel allen wezen goedkope antwoorden af. De Joodse ars moriendi na de Shoah kent daarom een zekere terughoudendheid. Stilte kan heiliger zijn dan verklaringen.


Moderne geneeskunde en waardig sterven



In onze tijd staat de Joodse ethiek voor nieuwe vragen: levensverlenging, palliatieve zorg, euthanasie en medische technologie. Orthodoxe rabbijnen benadrukken doorgaans dat het leven beschermd moet worden, maar erkennen ook dat men sterven niet kunstmatig hoeft te rekken wanneer genezing onmogelijk is.



De stervende heet in de Haloche een gauseis — iemand in de laatste levensfase. Men moet uiterst voorzichtig omgaan met deze kwetsbare toestand. Het leven mag niet actief beëindigd worden, maar men hoeft ook niet altijd elk medisch middel in te zetten om het stervensproces eindeloos te verlengen.



Daarom groeit binnen orthodoxe kring de aandacht voor palliatieve begeleiding, aanwezigheid, gebed en menselijke nabijheid.



De kunst van het leven én sterven



Uiteindelijk leert de Joodse traditie dat de kunst van het sterven niet losstaat van de kunst van het leven. Wie met compassie leeft, met rechtvaardigheid handelt en met nederigheid wandelt voor God, bereidt zich al gedurende zijn leven voor op de dood.


Pirkei Ngowaus zegt: “Bekeer u één dag vóór uw dood.” Omdat niemand weet wanneer die dag komt, betekent dit: leef elke dag bewust.



De Joodse ars moriendi is daarom geen morbide fixatie op het einde. Zij is een oproep tot verantwoordelijkheid, verzoening, gemeenschap en vertrouwen. De mens komt uit stof voort en keert tot stof terug — maar tussen geboorte en dood krijgt hij de kans om iets van eeuwigheid in de tijd te brengen.



dinsdag 7 juli 2026

#DE #HEILIGE #REIS #NAAR #HET #EINDE. #EEN #JOODS #PERSPECTIEF #OP #LIJDEN #EN #WAARDIGHEID



#DE #HEILIGE #REIS #NAAR #HET #EINDE. #EEN #JOODS #PERSPECTIEF #OP #LIJDEN #EN #WAARDIGHEID


#Rabbijn #Simon #Bornstein®


Een rabbijn wordt als geestelijk verzorger wordt onvermijdelijk geconfronteerd met de diepste vragen van het menselijk bestaan. Wanneer een ziel, zoals van die jongeman, na een leven vol ontbering, eenzaamheid en een langdurige doodswens achter zich heeft, is het onze taak om met uiterste tederheid te kijken naar wat de Halocha (de Joodse wet) ons leert over het levenseinde.



In het Jodendom is het leven heilig, een geschenk van de Schepper dat wij niet zomaar mogen beëindigen. Het concept van Piekoeach Nefesj — het redden van een leven — is een fundamentele pijler.


Echter, wanneer iemand lijdt aan een ongeneeslijke ziekte en de dood onvermijdelijk is, leert onze traditie ons dat we het stervensproces niet onnodig mogen rekken als dat slechts leidt tot ondraaglijk lijden.



De jongeman in uw casus heeft een leven geleid dat getekend is door wat wij
Tsangar (lijden) noemen. Het feit dat hij zich vanaf zijn twintigste al met de dood verbonden voelde, is een existentiële last die wij niet lichtvaardig mogen afdoen. In de Joodse ethiek is de mens geschapen naar het beeld van God (Betselem Eilauhiem).



Wanneer iemand zich zijn hele leven eenzaam en ontheemd heeft gevoeld, is het onze religieuze plicht om hem in zijn laatste dagen te omringen met de menselijke warmte die hij eerder heeft gemist.



Hoewel de wetgeving rondom euthanasie in Nederland strikte zorgvuldigheidseisen stelt, is het voor een rabbijn cruciaal om te benadrukken dat het beëindigen van het leven een grens is die wij met ontzag en gebed benaderen.

Wij zijn geen meesters over onze eigen tijd, maar wij zijn wel geroepen om barmhartigheid te tonen. Als de medische realiteit uitzichtloos is, en het lijden niet meer te verzachten valt, verschuift onze focus van 'genezen' naar 'begeleiden'.


In het Nederlandse stelsel is de arts gebonden aan de
Wet toetsing levensbeëindiging op verzoek en hulp bij zelfdoding (Wtl). Als begeleidende rabbijn zorg ik ervoor dat de cliënt begrijpt dat zijn verzoek nu, in tegenstelling tot vroeger, wordt erkend op basis van zijn medische lijden. Dit kan een gevoel van 'eindelijk gehoord worden' geven, wat een enorme psychologische ontlasting teweegbrengt.



Voor deze jongeman is de 'toestemming' voor euthanasie wellicht niet alleen een medische uitkomst, maar een erkenning van zijn jarenlange strijd. Als rabbijn zou ik hem willen meegeven: "Je bent nooit alleen geweest in de ogen van de Eeuwige." Zelfs in de diepste eenzaamheid van een pleegkind dat van huis naar huis trok, was er een goddelijke vonk die hem droeg.



Zijn dood is geen vlucht, maar een terugkeer naar de bron. Moge zijn ziel rust vinden in de schaduw van de Almachtige, en moge zijn laatste reis worden omgeven door de vrede die hij in dit aardse leven zo vaak heeft moeten missen.



dinsdag 30 juni 2026

AANPAK ANTISEMITISME. ANTIDISCRIMINATIE - WETGEVING AANGESCHERPT.



AANPAK ANTISEMITISME. ANTIDISCRIMINATIEWETGEVING AANGESCHERPT.


 #Rabbijn #Simon #Bornstein®


Als rabbijn zie ik dagelijks hoe de schaduw van antisemitisme onze gemeenschap en de bredere samenleving beïnvloedt. Het is een eeuwenoud kwaad dat zich helaas blijft manifesteren in nieuwe vormen, van online haatzaaien tot fysieke bedreigingen. Echter, wij staan niet machteloos. Sinds 1 juli 2025 is onze juridische gereedschapskist in Nederland aangescherpt, waardoor wij als samenleving krachtiger kunnen optreden tegen dit onrecht.



De kern van deze verandering ligt in de erkenning dat discriminatie niet slechts een bijkomstigheid is, maar een verzwarende omstandigheid. Dankzij de toepassing van artikel 44bis van het Wetboek van Strafrecht kunnen discriminatoire motieven nu expliciet leiden tot strafverzwaring.



Het Openbaar Ministerie (OM) hanteert hierbij een helder kader dat onderscheid maakt tussen drie categorieën: specifieke discriminatiedelicten (zoals groepsbelediging), strafbare uitsluiting (denk aan discriminatie bij toegang of diensten) en het discriminatie-aspect bij andere strafbare feiten, zoals geweld of bedreiging.



Wie wordt geconfronteerd met antisemitisme, moet weten waar men terechtkan. Het is van cruciaal belang dat incidenten worden gemeld, niet alleen voor de individuele rechtsgang, maar ook om het maatschappelijke klimaat in kaart te brengen.



Instanties zoals de politie en het Landelijk Expertise Centrum Discriminatie (LECD) spelen hierin een centrale rol. Daarnaast ondersteunt de overheid via de 'Strategie Bestrijding Antisemitisme 2024–2030' diverse initiatieven om de veiligheid op universiteiten en in de publieke ruimte te waarborgen.



Als rabbijn roep ik op tot waakzaamheid en verbinding. Het bestrijden van antisemitisme is geen taak die wij alleen kunnen volbrengen; het vereist een gezamenlijke inspanning van burgers, werkgevers en de overheid.



Door actief melding te maken van uitsluiting en door te staan voor een inclusieve samenleving, bouwen we aan een omgeving waarin iedereen, ongeacht afkomst of geloof, in veiligheid kan leven. Laten we de nieuwe wetgeving gebruiken als een instrument voor rechtvaardigheid, maar laten we nooit vergeten dat de werkelijke verandering begint bij de menselijke ontmoeting en het uitspreken tegen haat in al haar vormen.


#DE #HERMEUTISCHE #HORIZON #VAN #HOOGLERAAR #KONRAD #SCHMID, #EEN #REFLECTIE #OP #DE HEBREEUWSE #BIJBEL

  #DE #HERMEUTISCHE #HORIZON #VAN #HOOGLERAAR #KONRAD #SCHMID, #EEN #REFLECTIE #OP #DE HEBREEUWSE #BIJBEL Door: #RABBIJN #SIMON #BORNSTEIN...