woensdag 26 augustus 2026

#WAARHEID #ALS #VOORTDUREND #PROCES, #EEN #HALLOCHISCHE #REFLECTIE


#WAARHEID #ALS #VOORTDUREND #PROCES, #EEN #HALLOCHISCHE #REFLECTIE

Inleiding: de zoektocht naar waarheid als religieuze opdracht
Wetenschappers stellen een vraag die niet alleen historici, filosofen en cultuurwetenschappers bezighoudt, maar ook diep geworteld is in de Joodse traditie: wat betekent het dat waarheid niet slechts een vaststaand gegeven is, maar een proces van voortbrenging, bevestiging en overdracht?
Vanuit hallochisch perspectief is deze vraag bijzonder betekenisvol. Het Jodendom kent waarheid (emmes) als een eigenschap van de Eeuwige zelf: „Want alle wegen van de Eeuwige zijn rechtvaardig; een God van waarheid (Eil emoenoh)“ (Deworiem/ Deuteronomium 32:4).
De waarheid heeft dus haar oorsprong niet in de mens, maar in God. Tegelijkertijd heeft de mens de heilige opdracht gekregen om deze waarheid te zoeken, te interpreteren en zichtbaar te maken binnen de werkelijkheid van het dagelijks leven.
De halloche laat zien dat waarheid geen statisch object is dat eenvoudigweg wordt opgeslagen. Zij is een levende traditie die door generaties heen wordt bestudeerd, besproken en toegepast.

De waarheid van de Touroh: gegeven en voortdurend ontsloten

De Joodse traditie maakt onderscheid tussen de oorsprong van waarheid en de menselijke toegang daartoe. De Touro is volgens de rabbijnse visie een goddelijke openbaring, maar haar betekenis ontvouwt zich door menselijke studie.

De Talmoed leert:

„Zij is niet in de hemel“ (Lau basjomiem hie) (Bava Metzia 59b, gebaseerd op Deworiem/ Deuteronomium 30:12).
De rabbijnen begrijpen deze uitspraak niet als een ontkenning van de goddelijke oorsprong van de Touroh maar als een bevestiging van menselijke verantwoordelijkheid. God heeft de interpretatie van Zijn Woord toevertrouwd aan de gemeenschap van Israël.

Daarom is Touroh sje-begal peih — de Mondelinge Touroh — geen afwijking van de geschreven openbaring, maar de wijze waarop die openbaring historisch en praktisch wordt gerealiseerd.

Waarheid wordt in de halloche niet geproduceerd in de zin dat mensen haar willekeurig creëren. Zij wordt onthuld door een proces van studie, argumentatie en toepassing.

Machlaukes: verschil van mening als instrument van waarheid
Een opvallend kenmerk van de rabbijnse traditie is dat waarheid vaak ontstaat binnen discussie.

De Talmoed bewaart duizenden meningsverschillen tussen geleerden. De discussies tussen Hillel en Sjammai vormen hiervan een klassiek voorbeeld.

Hoewel de halloche meestal de opvatting van Hillel volgt, worden de woorden van Sjammai niet verwijderd. De Talmoed zegt zelfs:

„Deze en die zijn de woorden van de levende God“ (Eroevien 13b).

Dit betekent niet dat iedere uitspraak automatisch praktisch bindend wordt, maar wel dat het zoeken naar waarheid meerdere stemmen kan omvatten. Waarheid wordt dieper begrepen wanneer argumenten zorgvuldig worden onderzocht.

Hier sluit de hallochische traditie aan bij de gedachte dat waarheid niet alleen een eindresultaat is, maar een proces waarin mensen, teksten, instellingen en praktijken een rol spelen.

Herhaling en herinnering: waarheid moet worden onderhouden

De gedachte dat waarheid voortdurend opnieuw moet worden bevestigd, is fundamenteel hallochisch.

Het dagelijkse gebed en de mitswes rond herinnering laten zien dat waarheid niet vanzelfsprekend blijft bestaan. Het Sjemang wordt tweemaal per dag uitgesproken omdat geloofswaarheden niet slechts historische feiten zijn, maar levende verplichtingen.

Ook de viering van Pesach toont dit principe. De Misjne leert:

„In iedere generatie moet een mens zichzelf zien alsof hij zelf uit Egypte is uitgegaan“ (Pesachiem 10:5).

De uittocht uit Egypte wordt niet slechts herinnerd; zij wordt opnieuw aanwezig gemaakt door verhaal, ritueel en deelname. De waarheid van de bevrijding wordt telkens opnieuw gerealiseerd.

Vanuit hallochisch perspectief bestaat waarheid daarom uit zowel continuïteit als actualisering.

Halloche als dynamiek tussen eeuwigheid en geschiedenis

Een centrale vraag binnen het onderzoek naar waarheid in de voormoderne wereld betreft de spanning tussen blijvende waarheden en veranderende omstandigheden. Ook de halacha leeft binnen deze spanning.

De fundamentele principes van de Touroh worden beschouwd als eeuwig, maar hun toepassing vereist interpretatie. De rabbijnse literatuur bespreekt voortdurend nieuwe situaties: economische veranderingen, medische vragen, technologische ontwikkelingen en sociale omstandigheden.

Grote hallochische autoriteiten zoals Maimonides benadrukten dat het doel van de halloche niet alleen juridische ordening is, maar ook het vormen van een rechtvaardige en verstandige samenleving.

De waarheid van de halloche bevindt zich daarom niet buiten de geschiedenis. Zij ontmoet de geschiedenis en krijgt daarin vorm.

Waarheid, autoriteit en verantwoordelijkheid

Wij onderzoeken ook hoe waarheden worden gevestigd en verdedigd. Vanuit hallochisch perspectief is autoriteit noodzakelijk, maar zij is nooit losgemaakt van verantwoordelijkheid.

De Touroh waarschuwt:

„Van een leugenachtige zaak zul je je verwijderen“ (Exodus 23:7).

Waarheid vereist ethische discipline. Een getuige, rechter of geleerde moet zorgvuldig omgaan met informatie en interpretatie. De zoektocht naar waarheid is geen instrument voor macht, maar een vorm van dienstbaarheid.

De rabbijnse traditie verbindt waarheid daarom met nederigheid. De mens zoekt waarheid niet omdat hij haar volledig bezit, maar omdat hij geroepen is haar steeds beter te begrijpen.

Waarheid als heilige arbeid

De titel „Waarheid als voortdurend proces“ bevat een inzicht dat sterk resoneert met de hallochische visie: waarheid is geen afgesloten bezit, maar een voortdurende opdracht.

De Joodse traditie ziet waarheid als een ontmoeting tussen goddelijke openbaring en menselijke verantwoordelijkheid. Zij leeft door studie, debat, herinnering en praktijk.

Daarom kan een hallochische reactie op de hoofdvraag als volgt worden samengevat:

Waarheid wordt niet gemaakt door de mens alsof zij zijn eigendom is. Maar waarheid wordt ook niet levend zonder menselijke inzet. De mens ontvangt waarheid als opdracht en draagt de verantwoordelijkheid haar door tijd en geschiedenis heen zichtbaar te maken.

In deze voortdurende arbeid — het leren, interpreteren, herinneren en handelen — wordt waarheid een proces: een heilige beweging tussen Hemel en aarde.

donderdag 20 augustus 2026

 #PARSJE #VAN #DE #WEEK: #KIE #SEITSEI

Parsje Kie Seitsei (Deworiem 21:10–25:19), betekent letterlijk vertaald “Wanneer je naar buiten trekt, .. “, is een van de meest intensieve en rijke parsjes in de Tauroh. Met maar liefst vierenzeventig mitswes (geboden) tellen we hier— meer dan in enige andere parsje — vormt dit gedeelte het kloppende hart van de Bries - het Verbond tussen Hasjem en ons.

Wat opvalt aan Kie Seitsei is de buitengewone breedte en diepgang van de wetten. De Tauroh toont zich hier geen abstract filosofisch handboek, maar een praktisch en diepmenselijk, sociaal wetboek.

Het behandelt de meest uiteenlopende aspecten van de samenleving: van complexe gezinssituaties en morele verplichtingen jegens buren tot eerlijke handel, dierenwelzijn en sociale verantwoordelijkheid.

Een indrukwekkend voorbeeld hiervan is de gebod om een opstaande rand (een mangekeih) te maken op het dak van je huis, zodat niemand naar beneden kan vallen (Deworiem 22:8). Dit leert ons een fundamentele les over preventieve veiligheid en de oneindige waarde van het menselijk leven.

Elk gebod in deze parsje — hoe klein of alledaags het ook lijkt — ademt de geest van kedoesje - heiligheid in het dagelijks handelen. Het transformeert de gewone maatschappij in een ethische gemeenschap waarin compassie en rechtvaardigheid centraal staan.

De parsje sluit op indringende wijze af met de gebod om de herinnering aan Amolek uit te wissen — het ultieme symbool van blinde haat en wreedheid dat we in elke generatie moeten weerstaan. De liefde prevaleert.

Kie Seitsei daagt ons daarmee uit om niet af te haken bij de details van het dagelijks leven, maar juist daarin onze loyaliteit aan de Eeuwige te tonen. Moge deze week ons inspireren om rechtvaardig te handelen, liefde te betonen en met open ogen om te zien naar onze medemens.


Goed Sjabbes!

woensdag 19 augustus 2026

#INDISCHE #ONTHEEMDING

 


#INDISCHE #ONTHEEMDING

Door: #Rabbijn #Simon #Bornstein, #geestelijk #verzorger van #Stichting #Actief #Amsterdam.

Dit artikel werd eerder, op 29 augustus 2021 gepubliceerd. Alle intellectuele rechten voorbehouden.

De periode van 1935 tot en met 1961 was voor bewoners van Europese origine in voormalig Nederlands-Indië een tijd die zou leiden tot ontheemding. Met de Japanse bezetting van Nederlands-Indië, de internering van mensen van Europese origine en mensen met een ouderpaar van Europese en Aziatische origine in Japanse concentratie- en krijgsgevangenkampen, de Indonesische onafhankelijkheidsoorlog en het gedwongen vertrek vanuit Nederlands-Indië naar Nederland, ontstond een situatie van complete ontrechting en ONTHEEMDING van deze bevolkingsgroepen.

De honderdduizenden Indo’s, Molukkers en Indische Nederlanders die na de Tweede Wereldoorlog en na de onafhankelijkheid van Indonesië met scheepsladingen arriveerden in de havens van Amsterdam en Rotterdam, raakten met de opheffing van Nederlands-Indië hun vaderland kwijt. Door het Indonesische beleid konden zij ook niet in Indonesië blijven wonen. Zij verloren hun woningen, plantages, fabrieken en overige bezittingen, evenals de rechten daarop, en werden daarnaast gewelddadig verstoten. Het gevolg was een onthecht en ontwricht bestaan.

Bij aankomst in Nederland werden Indische Nederlanders niet met open armen ontvangen. Het beleid van de Nederlandse regering was er actief op gericht zoveel mogelijk Indische Nederlanders buiten Europa te houden. Daarom weken velen uit naar Zuid-Afrika, Australië en de Verenigde Staten. Zij waren wel Nederlanders, maar voelden zich door hun tropische opvoeding niet altijd volledig verbonden met het naoorlogse Nederland.

Het was de tijd waarin de Nederlandse regering van mening was dat Nederland tijdens de wederopbouw na de Tweede Wereldoorlog al te kampen had met overbevolking. Om dit probleem op te lossen werden Nederlanders actief gestimuleerd om naar Australië, Nieuw-Zeeland, Canada en de Verenigde Staten te migreren om daar een nieuw bestaan op te bouwen. Honderdduizenden maakten gebruik van de migratiesubsidies en migratieregelingen die het naoorlogse Nederland bood.

In Nederland werden Indische Nederlanders opgevangen en gehuisvest in contractpensions en barakkenkampen. In deze pensions moesten zij betalen voor hun verblijf, waardoor zij een schuld opbouwden bij de Nederlandse overheid. De teller begon te lopen vanaf het moment dat men het contractpension betrok, terwijl de levensomstandigheden daar vaak erbarmelijk waren en Indische Nederlanders aanvankelijk moeilijk werk konden vinden.

Djanga Loepa was de titel van een boekje dat door maatschappelijk werksters werd uitgereikt aan Indische moeders in de contractpensions. Zij kregen aanwijzingen over hoe zuinig zij moesten omgaan met boter en jam, hoe zij een huishoudboekje moesten bijhouden en boodschappen moesten doen en dat er in Nederland volgens de Hollandse pot gekookt moest worden.

Er werd nauwelijks rekening gehouden met de reeds aanwezige kennis en kunde van Indische Nederlanders. Er was weinig plaats voor hun identiteit, keuken en gewoontes binnen het regerings- en welzijnsbeleid. Dit droeg bij aan het gevoel niet welkom of geaccepteerd te zijn in Nederland. Kikkerland bood Indische Nederlanders geen warm welkom, maar een ijzingwekkend koude ontvangst.

De ontheemden zijn de kinderen van de rekening geworden, van de koloniale rekening. De gemiddelde schuld waarmee men naar Nederland kwam, bedroeg per gezin 15.000 gulden, tegenwoordig ongeveer 46.000 euro. Indische gezinnen moesten hun leven in Nederland beginnen vanuit een situatie van diepe armoede.

Veel gezinnen moesten hun overtocht vanuit Indië terugbetalen aan de Nederlandse overheid. Er moesten winter- en zomerkleding worden aangeschaft onder leiding van maatschappelijk werksters. Ook moesten meubels onder dwingend toezicht van maatschappelijk werkers worden gekocht bij aangewezen leveranciers, die niet altijd de goedkoopste optie aanboden.

Volgens deze lezing verdienden sommige maatschappelijk werkers provisie door Indische gezinnen naar bepaalde meubelzaken door te verwijzen. Hierdoor zouden de ellendige omstandigheden van Indische gezinnen financieel zijn uitgebuit.

Ook werden diploma’s van Indische Nederlanders binnen de Nederlandse samenleving niet altijd erkend. Volgens de tekst was de Nederlandse overheid bang voor economische concurrentie tussen Indische Nederlanders en in Europa geboren Nederlanders. Hierdoor werden Indische Nederlanders in een ongelijke economische positie geplaatst.

Dit patroon van het op sociaaleconomische achterstand plaatsen van een bevolkingsgroep werd later volgens deze visie herhaald na de onafhankelijkheid van de Republiek Suriname.

In de voormalige kolonie Nederlands-Indië hadden Indische Nederlanders in de loop der eeuwen een bestaan opgebouwd. Hun bezittingen en financiële middelen werden hen afgenomen door verschillende partijen, waaronder de Japanners, Indonesiërs en de Nederlandse overheid.

Ook de kwestie rond de tegoeden en goudvoorraad van de Javasche Bank speelt hierbij een belangrijke rol. Volgens deze tekst is een groot deel van het goud van de Javasche Bank van Batavia naar New York gebracht en nooit volledig verantwoord. Deze kwestie wordt in verband gebracht met niet-uitgekeerde banktegoeden, spaargelden, salarissen, pensioenen en beleggingen van Indische Nederlanders.

Het gevestigde beeld van Indische Nederlanders is tegenwoordig vaak dat zij als arme vluchtelingen naar Nederland kwamen. Zij staan daarnaast bekend als mensen die bescheiden zijn, heerlijk kunnen koken, gezellig zijn en prachtig kunnen dansen. Dit stereotype beeld laat echter weinig zien van de deels voorname positie, opvoeding en cultuur van Indische Nederlanders in Indonesië.

De Nederlandse overheid heeft volgens deze visie onvoldoende erkend dat Indische Nederlanders aanzienlijke bezittingen en financiële rechten verloren. De naoorlogse economische afwikkeling van het voormalige overzeese Nederland ging gepaard met grote verliezen, pijn en verdriet.

In de jaren negentig heeft de Nederlandse regering geprobeerd een afkoopregeling met Indische Nederlanders te treffen onder de titel Het Gebaar. Ieder Indisch gezin kon aanspraak maken op een vergoeding van 20.000 euro.

Volgens critici van deze regeling stond deze vergoeding niet in verhouding tot de totale materiële schade en financiële aanspraken. De transfer van tegoeden en de goudvoorraad van de Javasche Bank wordt hierbij in verband gebracht met documenten die zich in archieven in Washington, Verenigde Staten, zouden bevinden.

Telkens wanneer Indische Nederlanders of anderen vragen om volledig materieel en financieel rechtsherstel, wordt volgens deze tekst verwezen naar de regeling Het Gebaar. Door het collectieve karakter van Het Gebaar zijn Indische gezinnen volgens deze visie gedwongen geweest om via individuele rechtszaken hun bezittingen, pensioenen, verzekeringen en andere aanspraken bij de Nederlandse Staat terug te vorderen.

Waar het de toepassing van de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens op de Indische kwestie betreft, ligt er volgens deze visie nog veel werk. De aangerichte schade kan ook toekomstige generaties blijven beïnvloeden in hun beeld van hun positie binnen de Nederlandse samenleving.

Daderschap en slachtofferschap, loyaliteitskwesties, ontheemding, de nooit verdwenen liefde voor het tropische geboorteland, heimwee en verscheurde families die deels in Indonesië, Nederland of elders wonen: al deze thema’s spelen een rol binnen Indische gezinnen.

Deze gemengde gevoelens kunnen in veel gevallen leiden tot gevoelens van ontheemding, het niet volledig passen binnen of willen assimileren aan de nieuwe Nederlandse omgeving.

De vraag in hoeverre een Indisch gezin in Nederland zou moeten integreren, houdt velen bezig. Zij bewegen zich vaak tussen verschillende culturen. Hierdoor kan een duurzaam gevoel ontstaan volledig ontheemd te zijn en niet te kunnen wortelen in de Nederlandse samenleving.

Maar in hoeverre moet een burger zich eigenlijk wortelen? En hoe zou men dat moeten doen wanneer de eigen familiegeschiedenis een veelvoud aan referenties biedt die een dergelijk proces beïnvloeden?

In Indische en Molukse gezinnen weet men dat de Nederlandse samenleving hun verhalen en achtergronden niet altijd kent. Dit kan leiden tot gevoelens van vervreemding, onvoldoende erkenning en het gevoel nauwelijks of geen respect vanuit de Nederlandse samenleving te ontvangen, terwijl Indische en Molukse voorouders de Nederlandse driekleur in de overzeese rijksdelen eeuwenlang dienden en een belangrijke bijdrage leverden aan de geschiedenis en territoriale integriteit van het Koninkrijk.

Een Koninklijke boodschap wordt node gemist. Tijdens de Indiëherdenking van 2021 was de Koning op vakantie met zijn gezin. Er was geen vorst die troostende of verbindende woorden richtte tot de Indische gemeenschap. Wat zegt dit over de betrokkenheid van het Koninklijk Huis bij de Indische en Molukse gemeenschap? Hoe draagt dit bij aan erkenning, respect en zorg voor Indische Nederlanders en hun gevoelens van verbondenheid met de Nederlandse samenleving? Welke betrokkenheid mag men verwachten van het Staatshoofd? In 2026 nam de Koning deel aan de Indië herdenking in Den Haag zoals het hoort.

In Molukse en Papoea-gezinnen bestaat veel specifieke kennis over de tropen, goden- en geestenwerelden, mystiek en het leven in de tropen. Het gaat om verhalen die in Nederland nauwelijks een plaats hebben gevonden. Verhalen die nog onvoldoende door academische onderzoekers zijn vastgelegd of onderzocht, waardoor maatschappelijke erkenning voor deze gezinnen duurzaam kan uitblijven.

De verhalen liggen dicht onder de oppervlakte. Welke onderzoeker neemt een spade ter hand om deze verhalen op te diepen uit het geheugen van Indische Nederlanders? Wie geeft hun kennis en kunde een waardevolle plaats in Nederland?


Stichting Actief Amsterdam start een Indische gespreks- en ontmoetingsgroep voor Indische en Molukse Nederlanders.

Een plek om elkaar te ontmoeten in een informele en gezellige sfeer. Samen eten, eropuit gaan, elkaar ontmoeten en met elkaar praten, vriendschappen sluiten en waar nodig steun ontvangen vanuit de spreekuren van Stichting Actief Amsterdam.

U bent van harte welkom!

Meer info: #RABBIJN #SIMON #BORNSTEIN,
tel. 06 272 64138

#INDISCHE #ONTHEEMDING. #START #GESPREKSGROEP #INDISCHE #NEDERANDERS #EN #MOLUKKERS

 


FOTOVERSLAG AFRONDING PROJECT DE JOODSE STAD









vrijdag 14 augustus 2026

#ECLIPS. #EEN #MOMENT #KIJKEN #NAAR #DE #HEMEL #ÉN #NAAR #ONS #ZELF.

 


#ECLIPS. #EEN #MOMENT #KIJKEN #NAAR #DE #HEMEL #ÉN #NAAR #ONS #ZELF.


#Rabbijn #Simon #Bornstein®

 

De #zonsverduistering die deze week zichtbaar was, was voor velen een indrukwekkend #natuurverschijnsel. De maan schoof voor de zon en gedurende enige tijd werd het daglicht merkbaar minder. Voor de moderne wetenschap is dit een prachtig en nauwkeurig te berekenen #astronomisch #fenomeen. Voor een Jood kan het echter ook aanleiding zijn tot een andere vraag: wat betekent het wanneer wij zoiets aan de hemel aanschouwen, en hoe hoort een Jood daar volgens de haloche en de woorden van Chazal op te reageren?


In Maseches Soekkoh (29a) spreken Chazal over verduisteringen van de hemellichten. De Gemore beschouwt een dergelijke gebeurtenis als een sieman, een teken dat de mens tot nadenken moet brengen. Dit betekent niet dat een zonsverduistering moet worden opgevat als een voorspelling van een concrete ramp. Het Jodendom leert ons niet om naar de hemel te kijken om de toekomst te voorspellen en kent geen plaats voor bijgelovige interpretaties. De bedoeling van Chazal is eerder dat een ongewoon en indrukwekkend verschijnsel ons wakker kan schudden. Wanneer de mens iets ziet dat zijn gewone ervaring overstijgt, krijgt hij de mogelijkheid om even stil te staan en zichzelf af te vragen: waar sta ik eigenlijk in mijn leven, hoe is mijn relatie met Hasjem en hoe gedraag ik mij tegenover mijn medemens?


Halochisch gezien is er een belangrijke vraag: spreken wij een brooche uit bij een zonsverduistering? Het antwoord is dat men over een zonsverduistering geen speciale brooche zegt. Hoewel de haloche voor verschillende natuurverschijnselen wel brooches kent, is voor een eclips geen vaste brooche door Chazal ingesteld. Wij kunnen niet zelfstandig een nieuwe brooche formuleren en de Naam van Hasjem uitspreken omdat wij iets indrukwekkends zien. Juist bij brooches geldt grote voorzichtigheid. Daarom is de juiste halochische houding om geen brooche over de eclips zelf te zeggen.


Dat betekent echter niet dat wij er als Joden onverschillig naar moeten kijken. Integendeel. Misschien ligt hier juist een belangrijke les. De wetenschap kan ons precies uitleggen hoe een zonsverduistering ontstaat. De maan beweegt om de aarde, de aarde beweegt om de zon en wanneer de hemellichamen zich op de juiste wijze ten opzichte van elkaar bevinden, valt de schaduw van de maan op de aarde. Dat wij begrijpen hoe dit werkt, maakt het vanuit Joods perspectief niet minder indrukwekkend. Integendeel: hoe meer wij de orde, precisie en complexiteit van de Schepping begrijpen, hoe groter onze verwondering over de Schepper kan worden.


De Tauroh vraagt ons niet om wetenschap te vrezen. Zij vraagt ons om de kennis die wij hebben op de juiste manier te gebruiken. Wij kunnen weten hoe regen ontstaat en toch Hasjem danken voor de regen. Wij kunnen begrijpen hoe de zon en de maan bewegen en toch stilstaan bij de grootheid van Degene die deze wereld heeft geschapen en haar volgens vaste wetten laat functioneren.


Een zonsverduistering kan daarom een moment worden van chesjben hanefesj. Niet omdat wij bang moeten zijn voor wat er zal gebeuren, maar omdat wij onszelf mogen afvragen wat er in ons eigen leven moet veranderen. Misschien is er iemand die wij hebben gekwetst en aan wie wij vergeving moeten vragen. Misschien zijn onze gebeden oppervlakkig geworden. Misschien nemen wij onze verplichtingen tegenover anderen niet serieus genoeg. Misschien hebben wij ons te veel laten meeslepen door de dagelijkse drukte en te weinig tijd genomen om stil te staan bij onze relatie met Hasjem.


Chazal willen ons wakker maken. De hemel laat ons zien dat wij niet de baas zijn over het universum. Wij kunnen berekenen wanneer een eclips zal plaatsvinden, wij kunnen haar met grote nauwkeurigheid voorspellen en wij kunnen haar wetenschappelijk verklaren, maar wij hebben de hemel niet geschapen. Wij leven in een wereld die groter is dan wijzelf. Dat besef kan een mens nederig maken.

 

Er is bovendien een mooie gedachte verborgen in het beeld van een zonsverduistering. Tijdens een eclips lijkt het alsof het licht van de zon verdwijnt. Maar de zon is niet verdwenen. Zij wordt slechts tijdelijk aan ons zicht onttrokken. Ook in het geestelijke leven kan een mens momenten ervaren waarop het licht verborgen lijkt. Soms begrijpt hij niet waarom bepaalde dingen gebeuren. Soms voelt hij zich ver van Hasjem. Soms lijkt het alsof er geen duidelijkheid is. Maar het feit dat wij het licht niet zien, betekent niet dat het licht er niet is.


De zon blijft schijnen, ook wanneer wij haar tijdelijk niet kunnen zien. Zo kunnen ook emoene en bitochaun blijven bestaan wanneer een mens tijdelijk geen helderheid ervaart.


Daarom is de juiste Joodse reactie op een zonsverduistering geen paniek en geen bijgeloof. Het is verwondering, nederigheid en zelfonderzoek. Wij zeggen geen speciale brooche over de eclips, maar wij kunnen wel onze handen vouwen voor een tefilloh, een hoofdstuk Tehielliem zeggen of eenvoudigweg enkele minuten in stilte nadenken. Wij kunnen onszelf de vraag stellen: wat kan ik vanaf vandaag beter doen?


Misschien is dat uiteindelijk de diepste boodschap van de verduistering. Wanneer het licht aan de hemel tijdelijk wordt bedekt, worden wij eraan herinnerd hoe afhankelijk wij zijn van licht dat wij zelf niet kunnen maken. En juist op zo'n moment kunnen wij opnieuw leren waarderen wat wij iedere gewone dag als vanzelfsprekend beschouwen.


Een eclips duurt enkele minuten of uren. De spirituele les hoeft echter niet te verdwijnen zodra de zon weer volledig zichtbaar is. Wanneer wij na afloop naar huis gaan, zouden wij niet alleen moeten denken: wat was dat mooi om te zien? Wij zouden ook moeten vragen: wat heb ik ervan geleerd?


Kijk naar de hemel, maar kijk daarna ook naar jezelf. Laat de zonsverduistering geen angst achterlaten, maar bewustwording. Geen bijgeloof, maar emoene. Geen voorspelling van rampspoed, maar een uitnodiging tot tesjoewe. Want soms wordt het licht aan de hemel tijdelijk bedekt om ons eraan te herinneren dat wij zelf verantwoordelijk zijn om het licht van Tauroh, chesed en geloof in onze eigen omgeving zichtbaar te maken.


Niet alles wat verborgen is, is verdwenen. En wanneer het licht terugkeert, is de vraag niet alleen of wij het weer kunnen zien, maar ook of wij zelf veranderd zijn.

 

woensdag 12 augustus 2026

ZONOVERGOTEN AFSLUITING VAN PROJECT DE JOODSE STAD IN OOST

 





#Rabbijn #Simon #Bornstein®


Met een feestelijke bijeenkomst op het Pretoriusplein is het project De Joodse Stad in Oud-Oost officieel afgesloten. Op het zonovergoten plein, tegenover buurthuis Biko, kwamen ongeveer vijftig bezoekers bijeen om terug te blikken op een project dat de Joodse geschiedenis van de Transvaalbuurt opnieuw zichtbaar heeft gemaakt.

Hoogleraar Bart Wallet opende de middag met een inspirerende toespraak over het belang van het bewaren en doorgeven van de verhalen van de Joodse gemeenschap in Amsterdam-Oost. Daarna vertrokken de bezoekers in twee groepen voor een wandeling door de buurt. De route, samengesteld door het 4 Mei Comité, voerde langs plekken waar de geschiedenis van de Joodse bewoners nog altijd voelbaar is.

Een indrukwekkend onderdeel van het programma was het levensverhaal van mevrouw Wil de Brave. Zij woont al tachtig jaar in de Transvaalbuurt en vertelde uit eigen ervaring over de veranderingen die de wijk heeft doorgemaakt. Haar persoonlijke herinneringen gaven de geschiedenis een menselijk gezicht en maakten veel indruk op de aanwezigen.

Ook de Joodse Buurtvereniging Nachaliël was vertegenwoordigd. De vereniging brengt Joodse bewoners in de buurt samen tijdens Sjabbat en de Joodse feestdagen en biedt daarnaast buurtpastoraat en Joods vormingsonderwijs aan scholieren en studenten. Daarmee draagt Nachaliël bij aan een levendige Joodse gemeenschap in Amsterdam-Oost, waarin ontmoeting, zorg en traditie centraal staan.

De afsluitende woorden waren van professor Emile Schrijver, directeur van het Joods Cultureel Kwartier. Hij sprak zijn waardering uit voor alle vrijwilligers, organisaties en bewoners die aan het project hebben meegewerkt. Volgens Schrijver laten initiatieven als De Joodse Stad in Oud-Oost zien hoe lokale geschiedenis mensen met elkaar verbindt en nieuwe generaties bewust maakt van het verleden.

Na het officiële programma was er volop gelegenheid om elkaar te ontmoeten. Onder het genot van Joodse hapjes – weliswaar niet koosjer – en met Israëlische muziek op de achtergrond werd nog lang nagepraat. De zonnige middag vormde een passende en sfeervolle afsluiting van een project dat de Joodse geschiedenis van Oud-Oost opnieuw onder de aandacht heeft gebracht.

In de lop van het najaar organiseert de Joodse Buurtvereniging Nachaliël verschillende bijeenkomsten voor Joden in Oost. Joods leven in Oost heeft toekomst!


#WAARHEID #ALS #VOORTDUREND #PROCES, #EEN #HALLOCHISCHE #REFLECTIE

#WAARHEID #ALS #VOORTDUREND #PROCES , #EEN #HALLOCHISCHE #REFLECTIE Door: #RABBIJN #SIMON #BORNSTEIN ® Inleiding: de zoektocht n...