#EEN #GOED #HART #IN #WEST
Bij de 10e jaartijd van Bloeme Evers-Emden
זיכרונה לברכה
De Seifer HaChienoech leert een diep menselijk principe: "Ha'odam nief'al lefie pengoelausof" – de mens wordt gevormd door zijn daden. Niet alleen ons karakter bepaalt wat wij doen; juist wat wij steeds opnieuw doen, vormt uiteindelijk ons karakter. Iedere daad van vriendelijkheid maakt een mens vriendelijker. Iedere daad van rachmones opent het hart verder voor bamhartigheid.
De Rambam beschrijft hetzelfde beginsel vanuit een andere invalshoek. In zijn uitleg van de deugden benadrukt hij dat een mens zichzelf oefent in goede eigenschappen totdat zij een tweede natuur worden. Een rechtvaardig mens wordt niet als zodanig geboren; hij groeit ernaar toe door een leven lang bewust te kiezen voor goedheid, evenwicht en medemenselijkheid.
Wanneer wij aan Bloeme Evers-Emden denken, zien wij hoe waar deze woorden zijn.
Na alles wat zij had meegemaakt tijdens de Sjoah, na Auschwitz en na het verlies van haar jonge zoon, had niemand haar kwalijk kunnen nemen als zij zich had afgesloten van de wereld. Toch koos zij een andere weg.
Niet de weg van verbittering, maar van verbondenheid.
Niet de weg van wantrouwen, maar van vertrouwen.
Niet de weg van haat, maar van liefde voor het leven en voor de mensen om haar heen.
Dat was geen vanzelfsprekendheid. Dat was een levenslange keuze. Een keuze die haar hart steeds verder vormde.
De Rambam schrijft dat wij geroepen zijn de wegen van de Eeuwige na te volgen: zoals Hij barmhartig is, zo moeten ook wij barmhartig zijn; zoals Hij genadig is, zo behoren ook wij genadig te zijn. Dat is geen opdracht om op G'd te lijken in Zijn macht, maar in Zijn goedheid.
Wie Bloeme heeft gekend, zag iets van die opdracht werkelijkheid worden. Zij maakte ruimte voor anderen. Zij luisterde. Zij gaf moed. Zij schonk aandacht. Haar levensverhaal werd geen muur tussen haar en de wereld, maar juist een brug naar anderen. Zij werd mijn docente pastorale psychologie aan het Nederlands Isaëlitisch Seminarium; ‘trek maar aan de koperen trekbel, dan kom je vanzelf binnen.’
Daarom bleef zij voor velen een bron van inspiratie binnen de Joodse gemeenschap. Niet alleen door wat zij had meegemaakt, maar vooral door de wijze waarop zij daarna heeft geleefd.
Misschien is dat wel de diepste betekenis van een jaartijd. Wij herdenken niet alleen een verleden, maar ontvangen een opdracht voor de toekomst. Iedere herinnering roept de vraag op: welke daad van goedheid zal vandaag mijn hart vormen?
Want zoals de Seifer HaChienoech ons leert, vormen onze daden uiteindelijk wie wij zijn. En zoals de Rambam ons voorhoudt, groeit een mens uit tot een weerspiegeling van de goddelijke eigenschappen door steeds opnieuw te kiezen voor liefde, rechtvaardigheid en barmhartigheid.
Moge de herinnering aan Bloeme Evers-Emden ons blijven aansporen om die weg te gaan.
