De indiening van het wetsvoorstel tot officiële erkenning van inheemse volken als de #oorspronkelijke #bewoners van #Suriname bij de #Nationale #Assemblee markeert een historisch moment, dat op deze plaats aandacht verdient.
De Republiek Suriname viert in 2025 haar vijftig jarige zelfstandigheid, een jong land met – als alles goed gaat en de armoede wordt aangepakt door een alles omvattend economisch herstel – een veel belovende toekomst.
Toch is het vooral een moment dat laat zien hoe lang deze erkenning is uitgesteld. Dat Suriname in 2025 nog steeds moet debatteren over de vraag of de eerste bewoners van het land officieel erkend moeten worden, zegt veel over de manier waarop nationale identiteit en rechtsvorming tot nu toe zijn benaderd.
Het wetsvoorstel stelt ondubbelzinnig dat de aanwezigheid en de diepgewortelde verbondenheid van inheemse volken met het Surinaamse grondgebied een onlosmakelijk onderdeel vormen van de nationale identiteit en geschiedenis van de Republiek Suriname.
Deze formulering is meer dan symbolisch. Zij corrigeert een hardnekkige juridische en morele omissie die decennialang heeft bestaan binnen de Surinaamse rechtsorde.
Een hardnekkige blinde vlek
Suriname profileert zich graag als een multiculturele samenleving waarin diversiteit wordt gekoesterd.
Maar juist binnen dit narratief zijn inheemse volken structureel gemarginaliseerd. Terwijl hun aanwezigheid voorafgaat aan kolonisatie, slavernij en contractarbeid, ontbreekt in de nationale wetgeving een expliciete erkenning van hun status als oorspronkelijke bewoners.
Die afwezigheid is geen neutrale omissie; zij heeft concrete gevolgen gehad voor landrechten, zeggenschap over natuurlijke hulpbronnen en politieke participatie.
Het gelijkheidsbeginsel, zoals verankerd in de Surinaamse Grondwet, heeft in de praktijk onvoldoende bescherming geboden. Gelijkheid zonder erkenning van historische en culturele verschillen leidt niet tot rechtvaardigheid, maar tot juridisch formalisme.
Door iedereen gelijk te behandelen, terwijl niet iedereen vanuit een gelijke positie vertrekt, worden bestaande ongelijkheden juist bestendigd. Nu komt juist daarin verbetering.
Wat de Memorie van Toelichting terecht blootlegt
De Memorie van Toelichting bij het wetsvoorstel benoemt deze spanning expliciet. Zij erkent dat de Surinaamse rechtsorde onvoldoende rekening heeft gehouden met de collectieve dimensie van inheemse rechten.
Inheemse volken functioneren niet uitsluitend als individuele burgers, maar als gemeenschappen met een eigen sociale structuur, cultuur en relatie tot het land. Het negeren van deze collectiviteit heeft geleid tot structurele rechtsonzekerheid.
Belangrijk is dat de toelichting de erkenning niet framet als een concessie, maar als een noodzakelijke correctie. Het wetsvoorstel beoogt een normatief fundament te leggen waarop toekomstig beleid en wetgeving kunnen worden gebouwd.
Zonder deze erkenning blijven discussies over grondrechten, consultatie en ontwikkeling fragmentarisch en reactief.
Internationale verplichtingen: Suriname loopt achter
Suriname heeft zich gecommitteerd aan diverse internationale mensenrechtenverdragen die bescherming bieden aan inheemse volken. Op zichzelf een goede zaak.
Het land onderschrijft het principe van non-discriminatie, het recht op culturele identiteit en het recht op participatie in besluitvorming. Toch is de vertaalslag naar nationaal recht uitgebleven.
In andere landen is die stap wel gezet. Bolivia en Ecuador erkennen inheemse volken constitutioneel en hebben hun staatsmodel aangepast aan een meervoudige nationale identiteit.
Canada heeft, via grondwettelijke erkenning en jurisprudentie, consultatie en landrechten institutioneel verankerd. Deze voorbeelden tonen aan dat erkenning geen bedreiging vormt voor nationale eenheid, maar juist bijdraagt aan democratische legitimiteit en sociale stabiliteit.
Suriname kan zich niet blijven verschuilen achter het argument van complexiteit. Internationale normen zijn geen vrijblijvende idealen; zij scheppen verplichtingen. Het wetsvoorstel is dan ook geen radicale koerswijziging, maar een inhaalslag.
Erkenning als fundament, niet als eindpunt
Critici vrezen dat officiële erkenning zal leiden tot juridische onzekerheid of claims die de staat niet kan dragen. Deze vrees miskent dat erkenning juist duidelijkheid schept. Zonder een expliciet normatief kader blijven conflicten voortduren, vaak beslecht in internationale fora waar de staat steevast wordt teruggefloten.
Erkenning is bovendien geen eindpunt. Zij vormt het vertrekpunt voor zorgvuldig uitgewerkte wetgeving over landrechten, consultatie, ruimtelijke ordening en natuurlijke hulpbronnen. Het stelt de staat in staat om beleid te ontwikkelen dat niet alleen economisch efficiënt is, maar ook sociaal rechtvaardig en juridisch houdbaar.
Nationale identiteit herdenken
Misschien wel de belangrijkste implicatie van het wetsvoorstel ligt op het niveau van nationale identiteit. Door inheemse volken expliciet te erkennen als oorspronkelijke bewoners, erkent Suriname dat zijn geschiedenis niet begint bij koloniale bestuursstructuren, maar bij de gemeenschappen die het land al eeuwenlang vormgeven.
Dat vraagt om een herdefiniëring van wat het betekent om Surinamer te zijn. Niet als een statisch gegeven, maar als een gedeelde identiteit waarin meerdere historische lagen en perspectieven naast elkaar bestaan.
Een kwestie van politieke moed
De vraag is niet of Suriname klaar is voor deze erkenning, maar of de politieke wil aanwezig is om eindelijk verantwoordelijkheid te nemen voor een lang genegeerde realiteit. Het wetsvoorstel biedt De Nationale Assemblee de kans om niet alleen wetgeving te maken, maar geschiedenis te corrigeren.
Erkenning van inheemse volken is geen gunst en geen bedreiging. Het is een noodzakelijke stap richting een onafhankelijke Surinaamse rechtsstaat die zichzelf serieus neemt.
Het recente staatsbezoek van de Nederlandse vorst aan Suriname onderstreepte het grote belang dat beide landen hechten aan de hier besproken nieuwe Surinaamse wetgeving.